Vanwege breuk van een netwerk kabel buiten onze schuld was
maandag 25 augustus éen van onze servers niet te bereiken, inmiddels is dit verholpen.

©Conseo

Kind in de knel

  • Ondersteun de vader en de fantastische moeder die elk willen Có-ouderen, zelf samen kinderen opvoeden, al dan niet samen wónend. Verbeter taal, politiek en cultuur van het maatschappelijk middenveld, opdat váder ook in de traditionele gebieden wordt gerespecteerd. Wij moedigen aan vol te houden kinderen in voorspoed en geluk groot te brengen…

 
vrijdag 19 februari 2010

Krappe bovenkamers duurder dan studiebeurs

Werken aan je provincie hoofdstad

Een studentenkamers in stad Groningen is niet zelden drie bij drie meter en vaak moet er €300 per maand voor worden neergelegd, méer dan de maandelijkse studiebeurs. Wethouder Frank de Vries dóet er wat aan, voor de camera van Kindindeknel belooft hij verbétering. Groningen kent 50.000 studenten, dit aantal groeit en slechts 32.000 van hen wonen in de stad. Velen moeten dagelijks heen en weer reizen uit gemeenten als Vlagtwedde, Eemsmond, Marum en vanuit Friesland en Drenthe. Zij kunnen nu 's avonds niet deelnemen aan aanvullende studieprogramma's, debat activiteiten en de bibliotheek. Stilaan willen oudere mensen uit de stad wegtrekken, zij gaan wonen in groene dorpen van de noordelijke provincies. Studentenhuisvesting is de kwaliteit die het succes van leren en leven bij elkaar bereikbaar maakt.

Ruimte voor onze kinderen in de knel

  • Groningen heeft fantastisch onderwijs en investeringen in grote en kleine projecten doen de crisis wegsmelten. Binnenkort is het voorjaar en de stad bouwt aan een nieuwe toekomst.
  • Buurten worden terug gegeven aan burgers, op wijkstemdagen beslissen honderden mensen mee over inrichting en leefbaarheid van tóp-buurten.
  • Met werk in het midden- en kleinbedrijf kan Groningen voluit profiteren van de creativiteit en kennis die jonge en opgeleide mensen brengen.

3 maart op woensdag zijn gemeenteraadsverkiezingen.

Labels:

woensdag 23 december 2009

Laura Dekker en rechten van jongeren in nederland

Zij is terug in nederland, dik tegen haar zin en die van haar vader. De affaire rond de veertienjarige zeilster verdeelt nederland en roept reacties op van internationale waarnemers. Nu hebben ook haar grootouders zware kritiek op bureau jeugdzorg, maar de magistraten die moeten beoordelen of Laura wordt geplaatst mogen blijven zitten.

Zij is na een uitspraak van rechtbank utrecht in een gat gevallen, ze had het gevoel dat iedereen tégen haar was, ze gelóofde gewoon niet dat ze zou mógen zeilen. Daarop reisde de tiener vorige week met een gitaar en een rugzak op eigen houtje naar zeilvrienden op Curaçao. Echter zij had niet een schriftelijke toestemming van haar vader bij zich en officieel moet je 16 jaar oud zijn voor reizen binnen het Schengen gebied. Daarom werd haar reis door autoriteiten onderbroken op sint maarten. Overigens had Laura voldoende geld op zak: € 3500.

Terug in Nederland

Gisteren rond het middaguur arriveerde ze onder begeleiding van een politieagent op schiphol, waar ze werd meegenomen voor verhoor dat volgens Fok ruim twee uur duurde. De nederlandse justitie wil immers uitklaren hoe zij er vorige week in slaagde alléen te vliegen en of ze daarbij hulp kreeg. Na het verhoor mocht Laura niet naar huis maar werd overgedragen aan bureau jeugdzorg.

Een kinderrechtbank in utrecht zou zich gistermiddag uitspreken over een eventuele uithuisplaatsing. Laura woont bij haar vader, die haar plannen voor een zeilreis steunt. De vader zou onvoldoende toezicht uitoefenen op zijn dochter en bureau jeugdzorg wil haar nu elders onderbrengen, bij haar moeder maar ook in een jeugdinstelling of bij een door de rechtbank aangesteld opvanggezin.

Volgens haar advocaat Peter de Lange dreigde jeugdzorg haar vorige week woensdag al bij haar vader weg te halen, toen ging voor haar het licht uit. Hij meent dat de verantwoordelijke utrechtse magistraten niet langer onbevooroordeeld zijn, nadat zij in oktober besloten tot ondertoezichtstelling in de zaak van de zeilster. Laura zit sinds die uitspraak in een neerwaartse spiraal, haar schoolprestaties werden slechter en ze spijbelde. Volgens haar raadsman werden haar problemen alleen maar negatief benaderd en voelde ze zich daardoor nog slechter. Het net sloot zich rond haar, aldus De Lange. Dat was voor de jonge zeilster reden te vluchten. Gisteren had het nederlandse gerecht echter geen oren naar de zes argumenten van de advocaat.

utrechtse rechtbank
De voorzitter van de wrakingskamer wijst het verzoek af

Ook de moeder van Laura kwam gisteren met een mening: 'Zij moet gewoon weg bij die man', aldus de vrouw die zich eerder ook al tegen de solozeiltocht van haar dochter kantte. De affaire verdeelt nederland ondertussen steeds meer in twee kampen. Dat bleek toen de grootouders gisteren via een open brief in De Volkskrant hun bezorgdheid over hun kleindochter uiten en een alternatief aandragen:

Ónze kleindochter gaat ten ónder aan de jeugdzorg, schrijven de bezorgde opa en oma Dick en Riek Dekker. Zij is in een paar maanden tijd veranderd van een ondernémende en pósitieve tiener in een meisje dat een schild om zich heen heeft gebouwd en geen vertrouwen meer heeft in volwassenen. Volgens de grootouders is het Laura de voorbije weken duidelijk geworden dat ze een wórst wordt voorgehouden die zij nóoit te pakken zal kunnen krijgen. Men ontnéemt haar het uitzicht op haar wereldreis door compléet ónduidelijke voorwaarden te stellen.

De open brief lokte honderden reacties uit, waarbij sommigen de ouders en grootouders compleet onverantwoord gedrag verwijten. Anderen hekelen dan weer het feit dat de nederlandse autoriteiten blijkbaar per se élke droom kapot willen maken. Volgens een nederlands spreekwoord worden mensen die boven het maaiveld uitkomen met argusogen bekeken en gevolgd.

 

Wijkbewoners zonder zeilboot organiseerden 's avonds volksoproer tegen pedoseksuelen.

Voor koppen in de krant zorgde Laura eerder dit jaar toen haar plan om als jongste mens solo rond de wereld te zeilen door een rechtbank werd verboden. Haar vader is een doorgewinterd zeiler en gelooft dat zijn dochter dit kan, zij is geboren op het jacht van haar ouders. Zojuist meldt het zuid-afrikaanse dagblad The Star: Dekker's mother -who is divorced from her father- reported her missing last Friday.

Op haar website verklaart de scholiere niet vòor juli 2010 met de zeilreis te beginnen, haar boot Guppy ligt nog steeds in de haven. Eerst wil zij haar schooljaar afmaken.

Werner Rommers (België) en Bert Kerkhof (Nederland)

Lees verder…


Labels: ,

woensdag 8 april 2009

Kinderrechten verdrag - IVRK

Op 26 januari 1990 werd het kinderrechtenverdrag door Nederland ondertekend en op 6 februari 1995 geratificeerd.

Eerder in de jaren tachtig was inspraak voor het kinderrechtenverdrag van de internationale Verenigde Naties (afgekort IVRK). Een groot deel van het verdrag gaat over het recht van kinderen op hun eigen ouders, op ouderschap en op gezinsleven. Over de erkenning van de zeggenschap van kinderen. En over de erkenning van de zeggenschap en verantwoordelijkheid van ouders ten opzichte van traditionele praktijken, overheidsinstellingen en commerciële concerns. De waarden en normen in het verdrag die daarover gaan, zijn sterker verwoord dan in de nederlandse grondwet en het burgerlijk wetboek voor personen- en familierecht. Door de ratificering in 1995, geldt steeds de sterkste norm.

Over een aantal rechten hoorde je tot nu toe weinig van enkele clubs en comitées. Een aantal Nederlandse organisaties presenteren verkinderlijkte versies van het verdrag op hun website. Echter, volwassen ouders en burger organisaties moeten voor de uitvoering en handhaving zorgen. Als enige kinderrechten organisatie onderhoudt Kind in de knel sinds jaar en dag een link met de laagdrempelige Nederlandse Kinderombudsman. Kind in de knel is dé organisatie die opkomt voor de kinderrechten van de bijna 500.000 kinderen in Nederland (éen op de vijf kinderen in Nederland) die door eigenbelang van ouder(s) en door instellingen en instanties gescheiden moeten leven van éen of beide ouders. Daarom hier de volledige verdragstekst met toelichting.

Vandaag pastte ik de vetgedrukte toelichting aan en de paragraaftitels. Ten behoeve van de leesbaarheid voor zowel kinderen als volwassenen. Het kinderrechten verdrag bevat een aantal 'rode schatten', die sinds 1995 onderbelicht zijn. Kind in de knel zet ze op deze pagina in de verf. Respect voor de rode schatten geeft sociale vooruitgang en meer vrijheid voor kinderen. Uiteraard spoort de tekst van de artikelen exact met éen of meer van internationale originelen die eerder naar de Secretaris Generaal van de Verenigde Naties werden gezonden. Heeft u een suggestie voor verdere verduidelijking, nodigen we u uit te reageren onder aan deze pagina. Toelichting

Er zijn verschillende belangrijke mensenrechtenverdragen en verklaringen en de Verenigde Naties kennen basisprincipes. Omdat kinderen vanwege hun kwetsbaarheid nood hebben aan bijzondere zorg en bescherming, is er bijzondere nadruk op de primaire verantwoordelijkheid van de twee échte (biologische) ouders en het gezin voor de zorg voor- en de bescherming van het kind. Het is noodzakelijk dat er wettelijke- en andere bescherming is voor het kind voor en na de geboorte. Het is belangrijk respect te hebben voor de culturele waarden van de gemeenschap waarin het kind leeft. Vitale samenwerking zowel lokaal, regionaal als internationaal is nodig bij het effectueren van de rechten van het kind.

De Staten die partij zijn bij dit Verdrag,

Overwegende dat, in overeenstemming met de in het Handvest van de Verenigde Naties verkondigde beginselen, erkenning van de waardigheid inherent aan, alsmede van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap de grondslag is voor vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld,

Indachtig dat de volkeren van de Verenigde Naties in het Handvest hun vertrouwen in de fundamentele rechten van de mens en in de waardigheid en de waarde van de mens opnieuw hebben bevestigd en hebben besloten sociale vooruitgang en een hogere levensstandaard in grotere vrijheid te bevorderen,

Erkennende dat de Verenigde Naties in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en in de Internationale Verdragen inzake de Rechten van de Mens hebben verkondigd en zijn overeengekomen dat eenieder recht heeft op alle rechten en vrijheden die daarin worden beschreven zonder onderscheid van welke aard ook, zoals naar ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of sociale afkomst, eigendom, geboorte of andere status,

Eraan herinnerende dat de Verenigde Naties in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens hebben verkondigd dat kinderen recht hebben op bijzondere zorg en bijstand,

Ervan overtuigd dat aan het gezin, als de kern van de samenleving en de natuurlijke omgeving voor de ontplooiing en het welzijn van al haar leden en van kinderen in het bijzonder, de nodige bescherming en bijstand dient te worden verleend opdat het zijn verantwoordelijkheden binnen de gemeenschap volledig kan dragen,

Erkennende dat het kind, voor de volledige en harmonische ontplooiing van zijn (of haar) persoonlijkheid, dient op te groeien in een gezinsomgeving, in een sfeer van geluk, liefde en begrip,

Overwegende dat het kind volledig dient te worden voorbereid op het leiden van een zelfstandig leven in de samenleving, en dient te worden opgevoed in de geest van de in het Handvest van de Verenigde Naties verkondigde idealen, en in het bijzonder in de geest van vrede, waardigheid, verdraagzaamheid, vrijheid, gelijkheid en solidariteit,

Indachtig dat de noodzaak van het verlenen van bijzondere zorg aan het kind is vermeld in de Verklaring van Genève inzake de Rechten van het Kind van 1924 en in de Verklaring van de Rechten van het Kind, aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 20 november 1959 en is erkend in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, in het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (met name in de artikelen 23 en 24), in het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (met name in artikel 10) en in de statuten en desbetreffende akten van gespecialiseerde organisaties en internationale organisaties die zich bezighouden met het welzijn van kinderen,

Indachtig dat, zoals aangegeven in de Verklaring van de Rechten van het Kind, "het kind op grond van zijn lichamelijke en geestelijke onrijpheid bijzondere bescherming en zorg nodig heeft, met inbegrip van geëigende wettelijke bescherming, zowel voor als na zijn geboorte",

Herinnerende aan de bepalingen van de Verklaring inzake Sociale en Juridische Beginselen betreffende de Bescherming en het Welzijn van Kinderen, in het bijzonder met betrekking tot Plaatsing in een Pleeggezin en Adoptie, zowel Nationaal als Internationaal; de Standaard Minimumregels van de Verenigde Naties voor de Toepassing van het Recht op Jongeren (de Beijingregels); en de Verklaring inzake de Bescherming van Vrouwen en Kinderen in Noodsituaties en Gewapende Conflicten,

Erkennende dat er, in alle landen van de wereld, kinderen zijn die in uitzonderlijk moeilijke omstandigheden leven, en dat deze kinderen bijzondere aandacht behoeven,

Op passende wijze rekening houdend met het belang van de tradities en culturele waarden die ieder volk hecht aan de bescherming en harmonische ontwikkeling van het kind,

Het belang erkennende van internationale samenwerking ter verbetering van de levensomstandigheden van kinderen in ieder land, in het bijzonder in de ontwikkelingslanden,

Zijn het volgende overeengekomen:

Deel 1

Definitie van het begrip kind

Elke persoon jonger dan 18.

Artikel 1

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder een kind verstaan ieder mens jonger dan achttien jaar, tenzij volgens het op het kind van toepassing zijnde recht de meerderjarigheid eerder wordt bereikt.

Geen discriminatie

Het principe dat alle rechten van toepassing zijn op alle kinderen zonder enige uitzondering, en de verplichting van de Staat om kinderen tegen om het even welke vorm van discriminatie te beschermen. De Staat mag geen enkel recht schenden en moet positieve acties ondernemen om alle rechten te bevorderen.

Artikel 2

  1. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, eerbiedigen en waarborgen de in het Verdrag beschreven rechten voor ieder kind onder hun rechtsbevoegdheid zonder discriminatie van welke aard ook, ongeacht ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale, etnische of maatschappelijke afkomst, vermogen, handicap, geboorte of andere omstandigheid van het kind of van zijn (of haar) ouder of wettige voogd.
  2. De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om te waarborgen dat het kind wordt beschermd tegen alle vormen van discriminatie of bestraffing op grond van status, activiteiten, meningen of overtuigingen van de ouders, wettige voogden of familieleden van het kind.

Het belang van het kind

Wanneer instellingen, diensten en voorzieningen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor- of de bescherming van kinderen niet voldoen, is de Staat verplicht adequate normen vast te stellen, met name ten aanzien van de veiligheid, de gezondheid, het aantal personeelsleden en hun geschiktheid, alsmede bevoegd toezicht.

Artikel 3

  1. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.
  2. De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk voor het kind zijn, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuur maatregelen.
  3. De Staten die partij zijn, waarborgen dat de instellingen, diensten en voorzieningen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor of de bescherming van kinderen voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde normen, met name ten aanzien van de veiligheid, de gezondheid, het aantal personeelsleden en hun geschiktheid, alsmede bevoegd toezicht.

Handhaving

De verplichting van de Staat om de rechten uit dit Verdrag te effectueren en te verwezenlijken.

Artikel 4

De Staten die partij zijn, nemen alle nodige wettelijke, bestuurlijke en andere maatregelen om de in dit Verdrag erkende rechten te verwezenlijken. Ten aanzien van economische, sociale en culturele rechten nemen de Staten die partij zijn deze maatregelen in de ruimste mate waarin de hun ter beschikking staande middelen dit toelaten en, indien nodig, in het kader van internationale samenwerking.

Leiding van de familie en groei van het kind

De plicht van de Staat tot respect voor de rechten en verantwoordelijkheden van ouders en de ruimere familie om het kind leiding te geven overeenkomstig zijn groeiende capaciteiten.

Artikel 5

De Staten die partij zijn, eerbiedigen de verantwoordelijkheden, rechten en plichten van de ouders of, indien van toepassing, van de leden van de familie in ruimere zin of de gemeenschap al naar gelang het plaatselijk gebruik, van wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk zijn voor het kind, voor het voorzien in passende leiding en begeleiding bij de uitoefening door het kind van de in dit Verdrag erkende rechten, op een wijze die verenigbaar is met de zich ontwikkelende vermogens van het kind.

Ontwikkeling en overleven

Het inherente recht op leven, en de plicht van de Staat de ontwikkeling en het overleven van het kind te garanderen.

Artikel 6

  1. De Staten die partij zijn, erkennen dat ieder kind het inherente recht op leven heeft.
  2. De Staten die partij zijn, waarborgen in de ruimst mogelijke mate de mogelijkheden tot overleven en de ontwikkeling van het kind.

Naam en nationaliteit

Het recht vanaf de geboorte een naam te hebben en een nationaliteit te verwerven.

Artikel 7

  1. Het kind wordt onmiddellijk na de geboorte ingeschreven en heeft vanaf de geboorte het recht op een naam, het recht een nationaliteit te verwerven en, voor zover mogelijk, het recht zijn of haar ouders te kennen en door hen te worden verzorgd.
  2. De Staten die partij zijn, waarborgen de verwezenlijking van deze rechten in overeenstemming met hun nationale recht en hun verplichtingen krachtens de desbetreffende internationale akten op dit gebied, in het bijzonder wanneer het kind anders staatloos zou zijn.

Behoud van identiteit en familiebetrekkingen

De verplichting van de Staat om de basis aspecten van de identiteit van het kind (naam, nationaliteit en familiebanden) te beschermen en zo nodig te herstellen.

Artikel 8

  1. De Staten die partij zijn, verbinden zich tot eerbiediging van het recht van het kind zijn of haar identiteit te behouden, met inbegrip van nationaliteit, naam en familiebetrekkingen zoals wettelijk erkend, zonder onrechtmatige inmenging.
  2. Wanneer een kind op niet rechtmatige wijze wordt beroofd van enige of alle bestanddelen van zijn of haar identiteit, verlenen de Staten die partij zijn passende bijstand en bescherming, teneinde zijn identiteit zo snel mogelijk te herstellen.

Co-ouderschap

Een kind heeft recht om met zijn/haar ouders samen te leven. Een kind heeft recht om contact te onderhouden met beide ouders, ook wanneer het kind gescheiden leeft van één of beide ouders. Alle betrokken partijen hebben recht om gehoord te worden bij rechterlijke beslissingen over scheiding. Daar waar een dergelijke scheiding het resultaat is van een actie door een Staat, hebben de Staten plichten.

Artikel 9

  1. De Staten die partij zijn, waarborgen dat een kind niet wordt gescheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil, tenzij de bevoegde autoriteiten onder voorbehoud van de mogelijkheid van rechterlijke toetsing, in overeenstemming met het toepasselijk recht en de toepasselijke procedures, beslissen dat deze scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind. Een dergelijke beslissing kan noodzakelijk zijn in een bepaald geval, zoals wanneer er sprake is van misbruik of verwaarlozing van het kind door de ouders, of wanneer de ouders gescheiden leven en er een beslissing moet worden genomen ten aanzien van de verblijfplaats van het kind.
  2. In procedures ingevolge het eerste lid van dit artikel dienen alle betrokken partijen de gelegenheid te krijgen aan de procedures deel te nemen en hun standpunten naar voren te brengen.
  3. De Staten die partij zijn, eerbiedigen het recht van het kind dat van een ouder of beide ouders is gescheiden, op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen en rechtstreeks contact met beide ouders te onderhouden, tenzij dit in strijd is met het belang van het kind.
  4. Indien een dergelijke scheiding voortvloeit uit een maatregel genomen door een Staat die partij is, zoals de inhechtenisneming, gevangenneming, verbanning, deportatie, of uit een maatregel het overlijden ten gevolge hebbend (met inbegrip van overlijden, door welke oorzaak ook, terwijl de betrokkene door de Staat in bewaring wordt gehouden) van één ouder of beide ouders of van het kind, verstrekt die Staat, op verzoek, aan de ouders, aan het kind of, indien van toepassing, aan een ander familielid van het kind de noodzakelijke inlichtingen over waar het afwezige lid van het gezin zich bevindt of waar de afwezige leden van het gezin zich bevinden, tenzij het verstrekken van die inlichtingen het welzijn van het kind zou schaden. De Staten die partij zijn, waarborgen voorts dat het indienen van een dergelijk verzoek op zich geen nadelige gevolgen heeft voor de betrokkene(n).

Gezinshereniging

Het recht van kinderen en hun ouders om het even welk land te verlaten en hun eigen land terug binnen te komen met het oog op hereniging of om de ouder-kind relatie te onderhouden.

Artikel 10

  1. In overeenstemming met de verplichting van de Staten die partij zijn krachtens artikel 9, eerste lid, worden aanvragen van een kind of van zijn ouders om een Staat die partij is, voor gezinshereniging binnen te gaan of te verlaten, door de Staten die partij zijn met welwillendheid, menselijkheid en spoed behandeld. De Staten die partij zijn, waarborgen voorts dat het indienen van een dergelijke aanvraag geen nadelige gevolgen heeft voor de aanvragers of hun familieleden.
  2. Een kind van wie de ouders in verschillende Staten verblijven, heeft het recht op regelmatige basis, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met beide ouders te onderhouden. Hiertoe, en in overeenstemming met de verplichting van de Staten die partij zijn krachtens artikel 9, tweede lid, eerbiedigen de Staten die partij zijn het recht van het kind en van zijn of haar ouders welk land ook, met inbegrip van het eigen land, te verlaten, en het eigen land binnen te gaan. Het recht welk land ook te verlaten is slechts onderworpen aan de beperkingen die bij de wet zijn voorzien en die nodig zijn ter bescherming van de nationale veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid of de goede zeden, of van de rechten en vrijheden van anderen, en verenigbaar zijn met de andere in dit Verdrag erkende rechten.

Ongeoorloofde overbrenging en het niet doen terugkeren

De plicht van de Staat om te trachten kidnapping of het vasthouden van kinderen in een andere regio door een ouder of door derden te voorkomen of ongedaan te maken.

Artikel 11

  1. De Staten die partij zijn, nemen maatregelen ter bestrijding van de ongeoorloofde overbrenging van kinderen naar en het niet doen terugkeren van kinderen uit het buitenland.
  2. Hiertoe bevorderen de Staten die partij zijn het sluiten van bilaterale of multilaterale overeenkomsten of het toetreden tot bestaande overeenkomsten.

De mening van het kind

Het recht van het kind om zijn mening te kennen te geven en het recht dat men met deze mening rekening moet houden in elke aangelegenheid of procedure die het kind betreft.

Artikel 12

  1. De Staten die partij zijn, verzekeren het kind dat in staat is zijn of haar eigen mening te vormen, het recht die mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid.
  2. Hiertoe wordt het kind met name in de gelegenheid gesteld te worden gehoord in iedere gerechtelijke en bestuurlijke procedure die het kind betreft, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een vertegenoordiger of een daarvoor geschikte instelling, op een wijze die verenigbaar is met de procedureregels van het nationale recht.

Vrijheid van meningsuiting

Het kind heeft het recht informatie te verkrijgen of bekend te maken en zijn of haar mening uit te drukken.

Artikel 13

  1. Het kind heeft het recht op vrijheid van meningsuiting; dit recht omvat mede de vrijheid inlichtingen en denkbeelden van welke aard ook te vergaren, te ontvangen en door te geven, ongeacht de landsgrenzen hetzij mondeling, hetzij in geschreven of gedrukte vorm, in de vorm van kunst, of met behulp van andere media naar zijn of haar keuze.
  2. De uitoefening van dit recht kan aan bepaalde beperkingen worden gebonden, doch alleen aan de beperkingen die bij de wet zijn voorzien en die nodig zijn:
    1. voor de eerbiediging van de rechten of de goede naam van anderen; of
    2. ter bescherming van de nationale veiligheid of van de openbare orde, de volksgezondheid of de goede zeden.

Vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst

Het recht van het kind op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, onderworpen aan passende leiding van de ouders en aan de nationale wetten.

Artikel 14

  1. De Staten die partij zijn, eerbiedigen het recht van het kind op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst.
  2. De Staten die partij zijn, eerbiedigen de rechten en plichten van ouders en, indien van toepassing, van de wettige voogden, om het kind te leiden in de uitoefening van zijn of haar recht op een wijze die verenigbaar is met de zich ontwikkelende vermogens van het kind.
  3. De vrijheid van eenieder zijn (of haar) godsdienst of levensovertuiging tot uiting te brengen kan slechts in die mate worden beperkt als wordt voorgeschreven door de wet en noodzakelijk is ter bescherming van de openbare veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid of de goede zeden, of van de fundamentele rechten en vrijheden van anderen.

Vrijheid van vereniging

Het recht van kinderen met anderen samen te komen en verenigingen op te richten of er zich bij aan te sluiten.

Artikel 15

  1. De Staten die partij zijn, erkennen de rechten van het kind op vrijheid van vereniging en vrijheid van vreedzame vergadering.
  2. De uitoefening van deze rechten kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die welke in overeenstemming met de wet worden opgelegd en die in een democratische samenleving geboden zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare orde, de bescherming van de volksgezondheid of de goede zeden, of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Bescherming van de privacy

Het recht te worden beschermd tegen inmenging in de privacy, het gezinsleven, de woning en de correspondentie, evenals tegen smaad en laster.

Artikel 16

  1. Geen enkel kind mag worden onderworpen aan willekeurige of onrechtmatige inmenging in zijn of haar privé-leven, in zijn of haar gezinsleven, zijn of haar woning of zijn of haar correspondentie, noch aan enige onrechtmatige aantasting van zijn of haar eer en goede naam.
  2. Het kind heeft recht op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging of aantasting.

Toegang tot passende informatie

De rol van de media inzake het deelnemen van kinderen aan informatie op een wijze die in overeenstemming is met het moreel welzijn, met wederzijdse kennis en begrip onder de volkeren en die de culturele achtergrond van het kind respecteert. De Staat dient maatregelen te treffen om dit aan te moedigen en dient kinderen te beschermen tegen schadelijk materiaal.

Artikel 17

De Staten die partij zijn, erkennen de belangrijke functie van de massamedia en waarborgen dat het kind toegang heeft tot informatie en materiaal uit een verscheidenheid van nationale en internationale bronnen, in het bijzonder informatie en materiaal gericht op het bevorderen van zijn of haar sociale, psychische en morele welzijn en zijn of haar lichamelijke en geestelijke gezondheid. Hiertoe dienen de Staten die partij zijn:

  1. de massamedia aan te moedigen informatie en materiaal te verspreiden die tot sociaal en cultureel nut zijn voor het kind en in overeenstemming zijn met de strekking van artikel 29;
  2. internationale samenwerking aan te moedigen bij de vervaardiging, uitwisseling en verspreiding van dergelijke informatie en materiaal uit een verscheidenheid van culturele, nationale en internationale bronnen;
  3. de vervaardiging en verspreiding van kinderboeken aan te moedigen;
  4. de massamedia aan te moedigen in het bijzonder rekening te houden met de behoeften op het gebied van de taal van het kind dat tot een minderheid of tot de oorspronkelijke bevolking behoort;
  5. de ontwikkeling aan te moedigen van passende richtlijnen voor de bescherming van het kind tegen informatie en materiaal die schadelijk zijn voor zijn of haar welzijn, indachtig de bepalingen van de artikelen 13 en 18.

Verantwoordelijkheden van ouders

Het principe dat beide ouders gezamenlijk de eerste verantwoordelijken zijn voor de opvoeding van hun kinderen, en dat de Staat hen bij deze taak dient te ondersteunen.

Artikel 18

  1. De Staten die partij zijn, doen alles wat in hun vermogen ligt om de erkenning te verzekeren van het beginsel dat beide ouders de gezamenlijke verantwoordelijkheid dragen voor de opvoeding en de ontwikkeling van het kind. Ouders of, al naar gelang het geval, wettige voogden, hebben de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en de ontwikkeling van het kind. Het belang van het kind is hun allereerste zorg.
  2. Om de toepassing van de in dit Verdrag genoemde rechten te waarborgen en te bevorderen, verlenen de Staten die partij zijn passende bijstand aan ouders en wettige voogden bij de uitoefening van hun verantwoordelijkheden die de opvoeding van het kind betreffen, en waarborgen zij de ontwikkeling van instellingen, voorzieningen en diensten voor kinderzorg.
  3. De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om te waarborgen dat kinderen van werkende ouders recht hebben op gebruikmaking van diensten en voorzieningen voor kinderzorg waarvoor zij in aanmerking komen.

Bescherming tegen mishandeling en verwaarlozing

De verplichting van de Staat om kinderen te beschermen tegen elke vorm van mishandeling door ouders of door andere personen of instanties die verantwoordelijkheid dragen voor de zorg voor het kind, en om in verband hiermee preventieve maatregelen te nemen en behandelingsprogramma's op te zetten.

Artikel 19

  1. De Staten die partij zijn, nemen alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen en maatregelen op sociaal en opvoedkundig gebied om het kind te beschermen tegen alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld, letsel of misbruik, lichamelijke of geestelijke verwaarlozing of nalatige behandeling, mishandeling of exploitatie, met inbegrip van seksueel misbruik, zolang het kind onder de hoede is van de ouder(s), wettige voogd(en) of iemand anders die de zorg voor het kind heeft.
  2. Deze maatregelen ter bescherming dienen, indien van toepassing, doeltreffende procedures te omvatten voor de invoering van sociale programma's om te voorzien in de nodige ondersteuning van het kind en van diegenen die de zorg voor het kind hebben, alsmede procedures voor andere vormen van voorkoming van gevallen van kindermishandeling zoals hierboven beschreven, en voor opsporing, melding, verwijzing onderzoek, behandeling en follow-up van zodanige gevallen, en, indien van toepassing, voor inschakeling van rechterlijke instanties.

Bescherming van kinderen buiten hun gezin

De plicht van de Staat om kinderen die niet in hun gezinsmilieu kunnen leven bijzondere bescherming te bieden, en om er voor te zorgen dat voor hen een beroep kan gedaan worden op gepaste alternatieve gezinsopvang of op plaatsing in een instelling. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de culturele achtergrond van het kind.

Artikel 20

  1. Een kind dat tijdelijk of blijvend het leven in het gezin waartoe het behoort moet missen, of dat men in zijn of haar eigen belang niet kan toestaan in het gezin te blijven, heeft recht op bijzondere bescherming en bijstand van staatswege.
  2. De Staten die partij zijn, waarborgen, in overeenstemming met hun nationale recht, een andere vorm van zorg voor dat kind.
  3. Deze zorg kan, onder andere, plaatsing in een pleeggezin omvatten, kafalah volgens het Islamitisch recht, adoptie, of, indien noodzakelijk, plaatsing in geschikte instellingen voor kinderzorg. Bij het overwegen van oplossingen wordt op passende wijze rekening gehouden met de wenselijkheid van continuïteit in de opvoeding van het kind en met de etnische, godsdienstige en culturele achtergrond van het kind en met zijn of haar achtergrond wat betreft de taal.

Adoptie

In landen waar adoptie wordt erkend en/of toegestaan mag het enkel worden toegepast in het belang van het kind, met alle noodzakelijke waarborgen voor het kind en mits goedkeuring door de bevoegde overheden. Interlandelijke adoptie kan worden overwogen nadat de mogelijkheden in het land van oorsprong van het kind zijn uitgeput. Ook in het geval van interlandelijke adoptie dienen alle noodzakelijke waarborgen te worden gerespecteerd.

Artikel 21

De Staten die partij zijn en die de methode van adoptie erkennen en/of toestaan, waarborgen dat het belang van het kind daarbij de voornaamste overweging is, en:

  1. waarborgen dat de adoptie van een kind slechts wordt toegestaan mits daartoe bevoegde autoriteiten, in overeenstemming met de van toepassing zijnde wetten en procedures en op grond van alle van belang zijnde en betrouwbare gegevens, bepalen dat de adoptie kan worden toegestaan gelet op de verhoudingen van het kind met zijn of haar ouders, familieleden en wettige voogden, en mits, indien vereist, de betrokkenen, na volledig te zijn ingelicht, op grond van de adviezen die noodzakelijk worden geacht, daarmee hebben ingestemd;
  2. erkennen dat interlandelijke adoptie kan worden overwogen als andere oplossing voor de zorg voor het kind, indien het kind niet in een pleeg- of adoptiegezin kan worden geplaatst en op geen enkele andere passende wijze kan worden verzorgd in het land van zijn of haar herkomst;
  3. verzekeren dat voor het kind dat bij een interlandelijke adoptie is betrokken waarborgen en normen gelden die gelijkwaardig zijn aan die welke bestaan bij adoptie in het eigen land;
  4. nemen alle passende maatregelen om te waarborgen dat, in het geval van interlandelijke adoptie, de plaatsing niet leidt tot ongepast geldelijk voordeel voor de betrokkenen;
  5. bevorderen, wanneer passend, de verwezenlijking van de doeleinden van dit artikel door het aangaan van bilaterale of multilaterale regelingen of overeenkomsten, en spannen zich in om, in het kader daarvan te waarborgen dat de plaatsing van het kind in een ander land wordt uitgevoerd door bevoegde autoriteiten of instellingen.

Vluchtelingenkinderen

Kinderen die als vluchteling worden beschouwd of die de status van vluchteling hebben aangevraagd dienen een bijzondere bescherming te genieten. De Staat heeft de plicht samen te werken met bevoegde hulp instanties.

Artikel 22

  1. De Staten die partij zijn, nemen passende maatregelen om te waarborgen dat een kind dat de vluchtelingenstatus wil verkrijgen of dat in overeenstemming met het toepasselijke internationale recht en de toepasselijke procedures als vluchteling wordt beschouwd, ongeacht of het al dan niet door zijn of haar ouders of door iemand anders wordt begeleid, passende bescherming en humanitaire bijstand krijgt bij het genot van de van toepassing zijnde rechten beschreven in dit Verdrag en in andere internationale akten inzake de rechten van de mens of humanitaire akten waarbij de bedoelde Staten partij zijn.
  2. Hiertoe verlenen de Staten die partij zijn, naar zij passend achten, hun medewerking aan alle inspanningen van de Verenigde Naties en andere bevoegde intergouvernementele organisaties of niet-gouvernementele organisaties die met de Verenigde Naties samenwerken, om dat kind te beschermen en bij te staan en de ouders of andere gezinsleden op te sporen van een kind dat vluchteling is, teneinde de nodige inlichtingen te verkrijgen voor hereniging van het kind met het gezin waartoe het behoort. In gevallen waarin geen ouders of andere familieleden kunnen worden gevonden, wordt aan het kind dezelfde bescherming verleend als aan ieder ander kind dat, om welke reden ook, blijvend of tijdelijk het leven in een gezin moet ontberen.

Gehandicapte kinderen

Het recht van gehandicapte kinderen op bijzondere zorg, onderwijs en training, bedoeld om hen te helpen de grootst mogelijke zelfstandigheid te bereiken en een volwaardig en actief leven te leiden in de samenleving.

Artikel 23

  1. De Staten die partij zijn, erkennen dat een geestelijk of lichamelijk gehandicapt kind een volwaardig en behoorlijk leven dient te hebben, in omstandigheden die de waardigheid van het kind verzekeren, zijn zelfstandigheid bevorderen en zijn actieve deelneming aan het gemeenschapsleven vergemakkelijken.
  2. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van het gehandicapte kind op bijzondere zorg, en stimuleren en waarborgen dat aan het daarvoor in aanmerking komende kind en degenen die verantwoordelijk zijn voor zijn of haar verzorging, afhankelijk van de beschikbare middelen, de bijstand wordt verleend die is aangevraagd en die passend is gezien de gesteldheid van het kind en de omstandigheden van de ouders of anderen die voor het kind zorgen.
  3. Onder erkenning van de bijzondere behoeften van het gehandicapte kind, dient de in overeenstemming met het tweede lid geboden bijstand, wanneer mogelijk, gratis te worden verleend, rekening houdend met de financiële middelen van de ouders of anderen die voor het kind zorgen. Deze bijstand dient erop gericht te zijn te waarborgen dat het gehandicapte kind daadwerkelijk toegang heeft tot onderwijs, opleiding, voorzieningen voor gezondheidszorg en revalidatie, voorbereiding voor een beroep, en recreatiemogelijkheden, op een wijze die ertoe bijdraagt dat het kind een zo volledig mogelijke integratie in de maatschappij en persoonlijke ontwikkeling bereikt, met inbegrip van zijn of haar culturele en intellectuele ontwikkeling.
  4. De Staten die partij zijn, bevorderen, in de geest van internationale samenwerking, de uitwisseling van passende informatie op het gebied van preventieve gezondheidszorg en van medische en psychologische behandeling van, en behandeling van functionele stoornissen bij gehandicapte kinderen, met inbegrip van de verspreiding van en de toegang tot informatie betreffende revalidatiemethoden, onderwijs en beroepsopleidingen, met als doel de Staten die partij zijn, in staat te stellen hun vermogens en vaardigheden te verbeteren en hun ervaring op deze gebieden te verruimen. Wat dit betreft wordt in het bijzonder rekening gehouden met de behoeften van ontwikkelingslanden.

Gezondheid en gezondheidszorg

Het recht op de hoogst mogelijke graad van gezondheid en het recht op toegang tot gezondheidszorg en medische voorzieningen met bijzondere nadruk op eerstelijnsgezondheidszorg en preventieve gezondheidszorg, op gezondheidsvoorlichting en -educatie en op de vermindering van de kindersterfte. De verplichting van de Staat om te werken in de richting van het uitbannen van schadelijke traditionele praktijken. De nood aan internationale samenwerking met het oog op het realiseren van dit recht wordt beklemtoond.

Artikel 24

  1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van het kind op het genot van de grootst mogelijke mate van gezondheid en op voorzieningen voor de behandeling van ziekte en het herstel van de gezondheid. De Staten die partij zijn, streven ernaar te waarborgen dat geen enkel kind zijn of haar recht op toegang tot deze voorzieningen voor gezondheidszorg wordt onthouden.
  2. De Staten die partij zijn, streven de volledige verwezenlijking van dit recht na en nemen passende maatregelen, met name:
    1. om baby- en kindersterfte te verminderen;
    2. om de verlening van de nodige medische hulp en gezondheidszorg aan alle kinderen te waarborgen met nadruk op de ontwikkeling van de eerste-lijnsgezondheidszorg;
    3. om ziekte, ondervoeding en slechte voeding te bestrijden, mede binnen het kader van de eerste-lijnsgezondheidszorg, door onder andere het toepassen van gemakkelijk beschikbare technologie en door het voorzien in voedsel met voldoende voedingswaarde en zuiver drinkwater, de gevaren en risico's van milieuverontreiniging in aanmerking nemend;
    4. om passende pre- en postnatale gezondheidszorg voor moeders te waarborgen;
    5. om te waarborgen dat alle geledingen van de samenleving, met name ouders en kinderen, worden voorgelicht over, toegang hebben tot onderwijs over, en worden gesteund in het gebruik van de fundamentele kennis van de gezondheid en de voeding van kinderen, de voordelen van borstvoeding, hygiëne en sanitaire voorzieningen en het voorkomen van ongevallen;
    6. om preventieve gezondheidszorg, begeleiding voor ouders, en voorzieningen voor en voorlichting over gezinsplanning te ontwikkelen.
  3. De Staten die partij zijn, nemen alle doeltreffende en passende maatregelen teneinde traditionele gebruiken die schadelijk zijn voor de gezondheid van kinderen af te schaffen.
  4. De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe internationale samenwerking te bevorderen en aan te moedigen teneinde geleidelijk de algehele verwezenlijking van het in dit artikel erkende recht te bewerkstelligen. Wat dit betreft wordt in het bijzonder rekening gehouden met de behoeften van ontwikkelingslanden.

Periodieke herziening van een plaatsing

Het recht van het kind, dat ter verzorging, bescherming of behandeling door de Staat uit huis geplaatst is, op een regelmatige evaluatie van alle aspecten ervan.

Artikel 25

De Staten die partij zijn, erkennen het recht van een kind dat door de bevoegde autoriteiten uit huis is geplaatst ter verzorging, bescherming of behandeling in verband met zijn of haar lichamelijke of geestelijke gezondheid, op een periodieke evaluatie van de behandeling die het kind krijgt en van alle andere omstandigheden die verband houden met zijn of haar plaatsing.

Sociale zekerheid

Het recht van kinderen om van sociale zekerheid te genieten.

Artikel 26

  1. De Staten die partij zijn, erkennen voor ieder kind het recht de voordelen te genieten van voorzieningen voor sociale zekerheid, met inbegrip van sociale verzekering, en nemen de nodige maatregelen om de algehele verwezenlijking van dit recht te bewerkstelligen in overeenstemming met hun nationaal recht.
  2. De voordelen dienen, indien van toepassing, te worden verleend, waarbij rekening wordt gehouden met de middelen en de omstandigheden van het kind en de personen die verantwoordelijk zijn voor zijn of haar onderhoud, alsmede iedere andere overweging die van belang is voor de beoordeling van een verzoek daartoe dat door of namens het kind wordt ingediend.

Levensstandaard

Het recht van kinderen om een passende levensstandaard te genieten, de primaire verantwoordelijkheid van de ouders hiervoor, en de plicht van de Staat om te zorgen voor programma's die zorgen dat deze verantwoordelijkheid kan opgenomen worden en ook opgenomen wordt. Met name indien een ouder ver weg woont, zorgt de staat voor passende overeenkomsten en maatregelen om overmaking van onderhoudsgeld te waarborgen.

Artikel 27

  1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van ieder kind op een levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind.
  2. De ouder(s) of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind, hebben de primaire verantwoordelijkheid voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind.
  3. De Staten die partij zijn, nemen, in overeenstemming met de nationale omstandigheden en met de middelen die hun ten dienste staan, passende maatregelen om ouders en anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind te helpen dit recht te verwezenlijken, en voorzien, indien de behoefte daaraan bestaat, in programma's voor materiële bijstand en ondersteuning, met name wat betreft voeding, kleding en huisvesting.
  4. De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om het verhaal te waarborgen van uitkeringen tot onderhoud van het kind door de ouders of andere personen die de financiële verantwoordelijkheid voor het kind dragen, zowel binnen de Staat die partij is als vanuit het buitenland. Met name voor gevallen waarin degene die de financiële verantwoordelijkheid voor het kind draagt, in een andere Staat woont dan die van het kind, bevorderen de Staten die partij zijn de toetreding tot internationale overeenkomsten of het sluiten van dergelijke overeenkomsten, alsmede het treffen van andere passende regelingen.

Onderwijs

Het recht van het kind op onderwijs en de plicht van de Staat er voor te zorgen dat tenminste lager onderwijs gratis en verplicht is. Verschillende vormen van voortgezet onderwijs dienen voor ieder kind op basis van gelijke kansen beschikbaar en toegankelijk te zijn. Hiertoe zorgen de Staten voor gratis onderwijs en financiële bijstand. Er is noodzaak van internationale samenwerking voor het voorkomen van schooluitval.

Artikel 28

  1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van het kind op onderwijs, en teneinde dit recht geleidelijk en op basis van gelijke kansen te verwezenlijken, verbinden zij zich er met name toe:
    1. primair onderwijs verplicht te stellen en voor iedereen gratis beschikbaar te stellen;
    2. de ontwikkeling van verschillende vormen van voortgezet onderwijs aan te moedigen, met inbegrip van algemeen onderwijs en beroepsonderwijs, deze vormen voor ieder kind beschikbaar te stellen en toegankelijk te maken, en passende maatregelen te nemen zoals de invoering van gratis onderwijs en het bieden van financiële bijstand indien noodzakelijk;
    3. met behulp van alle passende middelen hoger onderwijs toegankelijk te maken voor een ieder naar gelang zijn capaciteiten;
    4. informatie over en begeleiding bij onderwijs- en beroepskeuze voor alle kinderen beschikbaar te stellen en toegankelijk te maken;
    5. maatregelen te nemen om regelmatig schoolbezoek te bevorderen en het aantal kinderen dat de school vroegtijdig verlaat, te verminderen.
  2. De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen om te verzekeren dat de wijze van handhaving van de discipline op scholen verenigbaar is met de menselijke waardigheid van het kind en in overeenstemming is met dit Verdrag.
  3. De Staten die partij zijn, bevorderen en stimuleren internationale samenwerking in aangelegenheden die verband houden met onderwijs, met name teneinde bij te dragen tot de uitbanning van onwetendheid en analfabetisme in de gehele wereld, en de toegankelijkheid van wetenschappelijke en technische kennis en moderne onderwijsmethoden te vergroten. In dit opzicht wordt met name rekening gehouden met de behoeften van de ontwikkelingslanden.

Doel van het onderwijs

De erkenning door de Staat dat het onderwijs dient gericht te zijn op de ontplooiing van de persoonlijkheid en de talenten van vrouwen én mannen op een actief en lang en gezond leven als kostwinner. Het onderwijs moet ook gericht zijn op het bevorderen van respect voor de culturele en nationale waarden van gezamenlijk ouderschap en op het ontwikkelen van respect voor de internationale rechten van kinderen.

Artikel 29

  1. De Staten die partij zijn, komen overeen dat het onderwijs aan het kind dient gericht te zijn op:
    1. de zo volledig mogelijke ontplooiing van de persoonlijkheid, talenten en geestelijke en lichamelijke vermogens van het kind;
    2. het bijbrengen van eerbied voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en voor de in het Handvest van de Verenigde Naties vastgelegde beginselen;
    3. het bijbrengen van eerbied voor de ouders van het kind, voor zijn of haar eigen culturele identiteit, taal en waarden, voor de nationale waarden van het land waar het kind woont, het land waar het is geboren, en voor andere beschavingen dan de zijne of de hare;
    4. de voorbereiding van het kind op een verantwoord leven in een vrije samenleving, in de geest van begrip, vrede, verdraagzaamheid, gelijkheid van geslachten, en vriendschap tussen alle volken, etnische, nationale en godsdienstige groepen en personen behorend tot de oorspronkelijke bevolking;
    5. het bijbrengen van eerbied voor de natuurlijke omgeving.
  2. Geen enkel gedeelte van dit artikel of van artikel 28 mag zo worden uitgelegd dat het de vrijheid aantast van individuele personen en rechtspersonen om onderwijsinstellingen op te richten en daaraan leiding te geven, evenwel altijd met inachtneming van de in het eerste lid van dit artikel vervatte beginselen, en van het vereiste dat het aan die instellingen gegeven onderwijs voldoet aan de door de Staat vastgelegde minimumnormen.

Kinderen van minderheden en de oorspronkelijke bevolking

Het recht van kinderen van minderheden en de oorspronkelijke bevolking hun eigen cultuur en godsdienst te beleven en hun eigen taal te gebruiken.

Artikel 30

In de Staten waarin etnische of godsdienstige minderheden, taalminderheden of personen behorend tot de oorspronkelijke bevolking voorkomen, wordt het kind dat daartoe behoort niet het recht ontzegd te zamen met andere leden van zijn of haar groep zijn of haar cultuur te beleven, zijn of haar godsdienst te belijden en ernaar te leven, of zich van zijn of haar eigen taal te bedienen.

Vrije tijd, ontspanning en culturele activiteiten

Het recht van het kind op vrije tijd, spel en deelname aan culturele en artistieke activiteiten.

Artikel 31

  1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van het kind op rust en vrije tijd, op deelneming aan spel en recreatieve bezigheden passend bij de leeftijd van het kind, en op vrije deelneming aan het culturele en artistieke leven.
  2. De Staten die partij zijn, eerbiedigen het recht van het kind volledig deel te nemen aan het culturele en artistieke leven, bevorderen de verwezenlijking van dit recht, en stimuleren het bieden van passende en voor ieder gelijke kansen op culturele, artistieke en creatieve bezigheden en vrijetijdsbesteding.

Kinderarbeid

De plicht van de Staat om kinderen te beschermen tegen tewerkstelling die een bedreiging vormen voor hun gezondheid, opvoeding en ontwikkeling, om minimumleeftijden voor toegang tot tewerkstelling voor te schrijven en om de arbeidsomstandigheden te reglementeren.

Artikel 32

  1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van het kind te worden beschermd tegen economische exploitatie en tegen het verrichten van werk dat naar alle waarschijnlijkheid gevaarlijk is of de opvoeding van het kind zal hinderen, of schadelijk zal zijn voor de gezondheid of de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke of maatschappelijke ontwikkeling van het kind.
  2. De Staten die partij zijn, nemen wettelijke, bestuurlijke en sociale maatregelen en maatregelen op onderwijsterrein om de toepassing van dit artikel te waarborgen. Hiertoe, en de desbetreffende bepalingen van andere internationale akten in acht nemend, verbinden de Staten die partij zijn zich er in het bijzonder toe:
    1. een minimumleeftijd of minimumleeftijden voor toelating tot betaald werk voor te schrijven;
    2. voorschriften te geven voor een passende regeling van werktijden en arbeidsvoorwaarden;
    3. passende straffen of andere maatregelen voor te schrijven ter waarborging van de daadwerkelijke uitvoering van dit artikel.

Drugmisbruik

Het recht van het kind te worden beschermd tegen het gebruik van narcotica en psychotrope drugs en tegen betrokkenheid bij hun produktie of distributie.

Artikel 33

De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen, met inbegrip van wettelijke, bestuurlijke en sociale maatregelen en maatregelen op onderwijsterrein, om kinderen te beschermen tegen het illegale gebruik van verdovende middelen en psychotrope stoffen zoals omschreven in de desbetreffende internationale verdragen, en om inschakeling van kinderen bij de illegale productie van en de sluikhandel in deze middelen en stoffen te voorkomen.

Sexuele uitbuiting

Het recht van het kind te worden beschermd tegen sexuele uitbuiting en sexueel misbruik, met inbegrip van prostitutie en betrokkenheid bij pornografie.

Artikel 34

De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te beschermen tegen alle vormen van sexuele exploitatie en sexueel misbruik. Hiertoe nemen de Staten die partij zijn met name alle passende nationale, bilaterale en multilaterale maatregelen om te voorkomen dat:

  1. een kind ertoe wordt aangespoord of gedwongen deel te nemen aan onwettige sexuele activiteiten;
  2. kinderen worden geëxploiteerd in de prostitutie of andere onwettige sexuele praktijken;
  3. kinderen worden geëxploiteerd in pornografische voorstellingen en pornografisch materiaal.

Verkoop, handel en ontvoering

De plicht van de Staat al het mogelijke te doen om verkoop, handel en ontvoering van kinderen te voorkomen.

Artikel 35

De Staten die partij zijn, nemen alle passende nationale, bilaterale en multilaterale maatregelen ter voorkoming van de ontvoering of de verkoop van of de handel in kinderen voor welk doel ook of in welke vorm ook.

Andere vormen van exploitatie

Het recht van het kind op bescherming tegen alle vormen van uitbuiting die niet vermeld zijn in de artikelen 32, 33, 34 en 35.

Artikel 36

De Staten die partij zijn, beschermen het kind tegen alle vormen van exploitatie die schadelijk zijn voor enig aspect van het welzijn van het kind.

Foltering en vrijheidsberoving

Het verbod op foltering, wrede behandeling of bestraffing, doodstraf, levenslange gevangenisstraf en onwettige gevangenschap of vrijheidsberoving. De principes van gepaste behandeling, scheiding van volwassen gedetineerden, contact met de familie en toegang tot rechtshulp en andere bijstand.

Artikel 37

De Staten die partij zijn, waarborgen dat:

  1. geen enkel kind wordt onderworpen aan foltering of aan een andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. Doodstraf noch levenslange gevangenisstraf zonder de mogelijkheid van vervroegde invrijheidstelling wordt opgelegd voor strafbare feiten gepleegd door personen jonger dan achttien jaar;
  2. geen enkel kind op onwettige of willekeurige wijze van zijn of haar vrijheid wordt beroofd. De aanhouding, inhechtenisneming of gevangenneming van een kind geschiedt overeenkomstig de wet en wordt slechts gehanteerd als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke duur;
  3. ieder kind dat van zijn of haar vrijheid is beroofd, wordt behandeld met menselijkheid en met eerbied voor de waardigheid inherent aan de menselijke persoon, en zodanig dat rekening wordt gehouden met de behoeften van een persoon van zijn of haar leeftijd. Met name wordt ieder kind dat van zijn of haar vrijheid is beroofd, gescheiden van volwassenen tenzij het in het belang van het kind wordt geacht dit niet te doen, en heeft ieder kind het recht contact met zijn of haar familie te onderhouden door middel van correspondentie en bezoeken, behalve in uitzonderlijke omstandigheden;
  4. ieder kind dat van zijn of haar vrijheid is beroofd het recht heeft onverwijld te beschikken over juridische en andere passende bijstand, alsmede het recht de wettigheid van zijn vrijheidsberoving te betwisten ten overstaan van een rechter of een andere bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige autoriteit, en op een onverwijlde beslissing ten aanzien van dat beroep.

Gewapende conflicten

De plicht van de Staat om de op kinderen van toepassing zijnde regels van humanitair recht te respecteren en te doen respecteren. Het principe dat geen enkel kind beneden de leeftijd van 15 jaar direct betrokken mag worden bij vijandelijkheden of in het leger mag ingelijfd worden, en dat alle kinderen die slachtoffer zijn van gewapende conflicten moeten kunnen genieten van bescherming en verzorging.

Artikel 38

  1. De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe eerbied te hebben voor en de eerbiediging te waarborgen van tijdens gewapende conflicten op hen van toepassing zijnde regels van internationaal humanitair recht die betrekking hebben op kinderen.
  2. De Staten die partij zijn, nemen alle uitvoerbare maatregelen om te waarborgen dat personen jonger dan vijftien jaar niet rechtstreeks deelnemen aan vijandelijkheden.
  3. De Staten die partij zijn, onthouden zich ervan personen jonger dan vijftien jaar in hun strijdkrachten op te nemen of in te lijven. Bij het opnemen of inlijven van personen die de leeftijd van vijftien jaar hebben bereikt, maar niet de leeftijd van achttien jaar, streven de Staten die partij zijn ernaar voorrang te geven aan diegenen die het oudste zijn.
  4. In overeenstemming met hun verplichtingen krachtens het internationale humanitaire recht om de burgerbevolking te beschermen in gewapende conflicten, nemen de Staten die partij zijn alle uitvoerbare maatregelen ter waarborging van de bescherming en de verzorging van kinderen die worden getroffen door een gewapend conflict.

Zorg voor herintegratie

De plicht van de Staat er voor te zorgen dat kinderen die het slachtoffer geweest zijn van gewapende conflicten, foltering, verwaarlozing, mishandeling of uitbuiting, een aangepaste behandeling krijgen met het oog op hun herstel en hun herintegratie in de maatschappij.

Artikel 39

De Staten die partij zijn, nemen alle passende maatregelen ter bevordering van het lichamelijk en geestelijk herstel en de herintegratie in de maatschappij van een kind dat het slachtoffer is van welke vorm ook van verwaarlozing, exploitatie of misbruik foltering of welke andere vorm ook van wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing of gewapende conflicten. Dit herstel en deze herintegratie vinden plaats in een omgeving die bevorderlijk is voor de gezondheid, het zelfrespect en de waardigheid van het kind.

Aanpak van jeugdmisdadigheid

Het recht van kinderen, die worden verdacht van of veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf, op respect voor hun mensenrechten en, in het bijzonder, op het genot van alle aspecten van een eerlijke rechtspleging, met inbegrip van rechtsbijstand en andere bijstand bij de voorbereiding en het voeren van zijn of haar verdediging. Het principe dat het gebruik van gerechtelijke procedures en van plaatsing in een inrichting moeten worden vermeden telkens wanneer dit mogelijk en passend is.

Artikel 40

  1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van ieder kind dat wordt verdacht van, vervolgd wegens of veroordeeld omwille van het begaan van een strafbaar feit, op een wijze van behandeling die geen afbreuk doet aan het gevoel van waardigheid en eigenwaarde van het kind, die de eerbied van het kind voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van anderen vergroot, en waarbij rekening wordt gehouden met de leeftijd van het kind en met de wenselijkheid van het bevorderen van de herintegratie van het kind en van de aanvaarding door het kind van een opbouwende rol in de samenleving.
  2. Hiertoe, en met inachtneming van de desbetreffende bepalingen van internationale akten, waarborgen de Staten die partij zijn met name dat:
    1. geen enkel kind wordt verdacht van, vervolgd wegens of veroordeeld omwille van het begaan van een strafbaar feit op grond van enig handelen of nalaten dat niet volgens het nationale of internationale recht verboden was op het tijdstip van het handelen of nalaten;
    2. ieder kind dat wordt verdacht van of vervolgd wegens het begaan van een strafbaar feit, ten minste de volgende garanties heeft:
      1. dat het voor onschuldig wordt gehouden tot zijn of haar schuld volgens de wet is bewezen;
      2. dat het onverwijld en rechtstreeks in kennis wordt gesteld van de tegen hem of haar ingebrachte beschuldigingen of indien van toepassing door tussenkomst van zijn of haar ouders of wettige voogd, en dat de juridische of andere passende bijstand krijgt in de voorbereiding en het voeren van zijn of haar verdediging;
      3. dat de aangelegenheid zonder vertraging wordt beslist door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige autoriteit of rechterlijke instantie in een eerlijke behandeling overeenkomstig de wet in aanwezigheid van een rechtskundige of anderszins deskundige raadsman of -vrouw, en, tenzij dit wordt geacht niet in het belang van het kind te zijn, met name gezien zijn of haar leeftijd of omstandigheden, in aanwezigheid van zijn of haar ouders of wettige voogden;
      4. dat het er niet toe wordt gedwongen een getuigenis af te leggen of schuld te bekennen; dat het getuigen à charge kan ondervragen of doen ondervragen en dat het de deelneming en ondervraging van getuigen à decharge onder gelijke voorwaarden kan doen geschieden;
      5. indien het schuldig wordt geacht aan het begaan van een strafbaar feit, dat dit oordeel en iedere maatregel die dientengevolge wordt opgelegd, opnieuw wordt beoordeeld door een hogere bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige autoriteit of rechterlijke instantie overeenkomstig de wet;
      6. dat het kind kosteloze bijstand krijgt van een tolk indien het de gebruikelijke taal niet verstaat of spreekt;
      7. dat zijn of haar privé-leven volledig wordt geëerbiedigd tijdens alle stadia van het proces.
  3. De Staten die partij zijn, streven ernaar de totstandkoming te bevorderen van wetten, procedures, autoriteiten en instellingen die in het bijzonder bedoeld zijn voor kinderen die worden verdacht van, vervolgd wegens of veroordeeld omwille van het begaan van een strafbaar feit, en, in het bijzonder:
    1. de vaststelling van een minimumleeftijd onder welke kinderen niet in staat worden geacht een strafbaar feit te begaan;
    2. de invoering, wanneer passend en wenselijk, van maatregelen voor de handelwijze ten aanzien van deze kinderen zonder dat men zijn toevlucht neemt tot gerechtelijke stappen, mits de rechten van de mens en de wettelijke garanties volledig worden geëerbiedigd.
  4. Een verscheidenheid van regelingen, zoals rechterlijke bevelen voor zorg, begeleiding en toezicht, adviezen, jeugdreclassering, pleegzorg, programma's voor onderwijs en beroepsopleiding en andere alternatieven voor institutionele zorg dient beschikbaar te zijn om te verzekeren dat de handelwijze ten aanzien van kinderen hun welzijn niet schaadt en in de juiste verhouding staat zowel tot hun omstandigheden als tot het strafbare feit.

Eerbied voor bestaande kinderrechten

Het principe dat, indien er in de nationale regelgeving of andere van toepassing zijnde internationale regels strengere normen gelden dan in het Verdrag, het de strengste norm is die geldt.

Artikel 41

Geen enkele bepaling van dit Verdrag tast bepalingen aan die meer bijdragen tot de verwezenlijking van de rechten van het kind en die zijn vervat in:

  1. het recht van een Staat die partij is; of
  2. het in die Staat geldende internationale recht.

Deel 2

Uitvoering en inwerkingtreding

De bepalingen van de artikelen 42 tot 54 behandelen het volgende:

  1. De plicht van de Staat om de rechten uit dit Verdrag ruime bekendheid te geven bij volwassenen en kinderen.
  2. De installatie van een Comité voor de Rechten van het Kind, bestaande uit tien experten, dat de rapporten moet behandelen die de Staten die partij zijn bij het Verdrag moeten indienen twee jaar nadat zij het Verdrag ratificeerden, en vervolgens elke vijf jaar. Het Verdrag treedt in werking nadat 20 landen het hebben geratificeerd.
  3. Staten die partij zijn moeten hun rapporten op ruime schaal bekend maken bij het publiek.
  4. Het Comité kan voorstellen dat gespecialiseerde studies worden uitgevoerd betreffende specifieke thema's die betrekking hebben op de rechten van het kind, en kan zijn bedenkingen formuleren ten aanzien van elke Staat die partij is en ten aanzien van de Algemene Vergadering van de VN.
  5. Met het oog op het bevorderen van een effectieve toepassing van dit Verdrag en om internationale samenwerking aan te moedigen, kunnen de gespecialiseerde organisaties (zoals de IAO, de Wereld Gezondheidsorganisatie, UNESCO en het Kinderfonds van de Verenigde Naties de bijeenkomsten van het Comité bijwonen. Samen met om het even welke andere als competent erkende organisatie, met inbegrip van NGO's die een consultatieve status bij de Verenigde Naties hebben, en met andere VN-organen, zoals de Commissie Mensenrechten, kunnen ze het Comité relevante informatie verstrekken of om advies worden gevraagd betreffende een optimale toepassing van het Verdrag.

Artikel 42

De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe de beginselen en de bepalingen van dit Verdrag op passende en doeltreffende wijze algemeen bekend te maken, zowel aan volwassenen als aan kinderen.

Artikel 43

  1. Ter beoordeling van de voortgang die de Staten die partij zijn, boeken bij het nakomen van de in dit Verdrag aangegane verplichtingen, wordt een Comité voor de Rechten van het Kind ingesteld, dat de hieronder te noemen functies uitoefent.
  2. Het Comité bestaat uit tien deskundigen van hoog zedelijk aanzien en met erkende bekwaamheid op het gebied dat dit Verdrag bestrijkt. De leden van het Comité worden door de Staten die partij zijn, gekozen uit hun onderdanen, en treden op in hun persoonlijke hoedanigheid, waarbij aandacht wordt geschonken aan een evenredige geografische verdeling, alsmede aan de vertegenwoordiging van de voornaamste rechtsstelsels.
  3. De leden van het Comité worden bij geheime stemming gekozen van een lijst van personen die zijn voorgedragen door de Staten die partij zijn. Iedere Staat die partij is, mag één persoon voordragen, die onderdaan van die Staat is.
  4. De eerste verkiezing van het Comité wordt niet later gehouden dan zes maanden na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag, en daarna iedere twee jaar. Ten minste vier maanden vóór de datum waarop de verkiezing plaatsvindt, richt de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties aan de Staten die partij zijn een schriftelijk verzoek hun voordrachten binnen twee maanden in te dienen. De Secretaris-Generaal stelt vervolgens een alfabetische lijst op van alle aldus voorgedragen personen, onder aanduiding van de Staten die partij zijn die hen hebben voorgedragen, en legt deze voor aan de Staten die partij zijn bij dit Verdrag.
  5. De verkiezingen worden gehouden tijdens de vergaderingen van de Staten die partij zijn, belegd door de Secretaris-Generaal, ten hoofdkantoren van de Verenigde Naties. Tijdens die vergaderingen, waarvoor twee derde van de Staten die partij zijn het quorum vormen, zijn degenen die in het Comité worden gekozen die voorgedragen personen die het grootste aantal stemmen op zich verenigen alsmede een absolute meerderheid van de stemmen van de aanwezige vertegenwoordigers van de Staten die partij zijn en die hun stem uitbrengen.
  6. De leden van het Comité worden gekozen voor een ambtstermijn van vier jaar. Zij zijn herkiesbaar indien zij opnieuw worden voorgedragen. De ambtstermijn van vijf van de leden die bij de eerste verkiezing zijn gekozen, loopt na twee jaar af; onmiddellijk na de eerste verkiezing worden deze vijf leden bij loting aangewezen door de Voorzitter van de vergadering.
  7. Indien een lid van het Comité overlijdt of aftreedt of verklaart om welke andere reden ook niet langer de taken van het Comité te kunnen vervullen, benoemt de Staat die partij is die het lid heeft voorgedragen een andere deskundige die onderdaan van die Staat is om de taken te vervullen gedurende het resterende gedeelte van de ambtstermijn, onder voorbehoud van de goedkeuring van het Comité.
  8. Het Comité stelt zijn eigen huishoudelijk reglement vast.
  9. Het Comité kiest zijn functionarissen voor een ambtstermijn van twee jaar.
  10. De vergaderingen van het Comité worden in de regel gehouden ten hoofdkantoren van de Verenigde Naties of op iedere andere geschikte plaats, te bepalen door het Comité. Het Comité komt in de regel eens per jaar bijeen. De duur van de vergaderingen van het Comité wordt vastgesteld en, indien noodzakelijk, herzien door een vergadering van de Staten die partij zijn bij dit Verdrag, onder voorbehoud van de goedkeuring van de Algemene Vergadering.
  11. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties stelt de nodige medewerkers en faciliteiten beschikbaar voor de doeltreffende uitoefening van de functies van het Comité krachtens dit Verdrag.
  12. Met de goedkeuring van de Algemene Vergadering ontvangen de leden van het krachtens dit Verdrag ingesteld Comité emolumenten uit de middelen van de Verenigde Naties op door de Algemene Vergadering vast te stellen voorwaarden.

Artikel 44

  1. De Staten die partij zijn, nemen de verplichting op zich aan het Comité, door tussenkomst van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, verslag uit te brengen over de door hen genomen maatregelen die uitvoering geven aan de in dit Verdrag erkende rechten, alsmede over de vooruitgang die is geboekt ten aanzien van het genot van die rechten:
    1. binnen twee jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag voor de betrokken Staat die partij is;
    2. vervolgens iedere vijf jaar.
  2. In de krachtens dit artikel opgestelde rapporten dienen de factoren en eventuele moeilijkheden te worden aangegeven die van invloed zijn op de nakoming van de verplichtingen krachtens dit Verdrag. De rapporten bevatten ook voldoende gegevens om het Comité een goed inzicht te verschaffen in de toepassing van het Verdrag in het desbetreffende land.
  3. Een Staat die partij is die een uitvoerig eerste rapport aan het Comité heeft overgelegd, behoeft in de volgende rapporten die deze Staat in overeenstemming met het eerste lid, letter b, overlegt, basisgegevens die eerder zijn verstrekt, niet te herhalen.
  4. Het Comité kan Staten die partij zijn verzoeken om nadere gegevens die verband houden met de toepassing van het Verdrag.
  5. Het Comité legt aan de Algemene Vergadering, door tussenkomst van de Economische en Sociale Raad, iedere twee jaar rapporten over aangaande zijn werkzaamheden.
  6. De Staten die partij zijn, dragen er zorg voor dat hun rapporten algemeen beschikbaar zijn in hun land.

Artikel 45

Teneinde de daadwerkelijke toepassing van het Verdrag te bevorderen en internationale samenwerking op het gebied dat dit Verdrag bestrijkt aan te moedigen:

  1. hebben de gespecialiseerde organisaties, het Kinderfonds van de Verenigde Naties en andere organen van de Verenigde Naties het recht vertegenwoordigd te zijn bij het overleg over de toepassing van die bepalingen van dit Verdrag welke binnen de werkingssfeer van hun mandaat vallen. Het Comité kan de gespecialiseerde organisaties, het Kinderfonds van de Verenigde Naties en andere bevoegde instellingen die zij passend acht, uitnodigen deskundig advies te geven over de toepassing van het Verdrag op gebieden die binnen de werkingssfeer van hun onderscheiden mandaten vallen. Het Comité kan de gespecialiseerde organisaties, het Kinderfonds van de Verenigde Naties en andere organen van de Verenigde Naties uitnodigen rapporten over te leggen over de toepassing van het Verdrag op gebieden waarop zij werkzaam zijn;
  2. doet het Comité, naar zij passend acht, aan de gespecialiseerde organisaties, het Kinderfonds van de Verenigde Naties en andere bevoegde instellingen, alle rapporten van Staten die partij zijn, toekomen die een verzoek bevatten om, of waaruit een behoefte blijkt aan, technisch advies of technische ondersteuning, vergezeld van eventuele opmerkingen en suggesties van het Comité aangaande deze verzoeken of deze gebleken behoefte;
  3. kan het Comité aan de Algemene Vergadering aanbevelen de Secretaris-Generaal te verzoeken namens het Comité onderzoeken te doen naar specifieke thema's die verband houden met de rechten van het kind;
  4. kan het Comité suggesties en algemene aanbevelingen doen gebaseerd op de ingevolge de artikelen 44 en 45 van dit Verdrag ontvangen gegevens. Deze suggesties en algemene aanbevelingen worden aan iedere betrokken Staat die partij is, toegezonden, en medegedeeld aan de Algemene Vergadering, vergezeld van eventuele commentaren van de Staten die partij zijn.

Deel 3

Artikel 46

Dit verdrag staat open voor ondertekening door alle Staten.

Artikel 47

Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Artikel 48

Dit Verdrag blijft open voor toetreding door iedere Staat. De akten van toetreding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Artikel 49

  1. Dit Verdrag treedt in werking op de dertigste dag die volgt op de datum van nederlegging bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties van de twintigste akte van bekrachtiging of toetreding.
  2. Voor iedere Staat die dit Verdrag bekrachtigt of ertoe toetreedt na de nederlegging van de twintigste akte van bekrachtiging of toetreding, treedt het Verdrag in werking op de dertigste dag na de nederlegging door die Staat van zijn akte van bekrachtiging of toetreding.

Artikel 50

  1. Iedere Staat die partij is, kan een wijziging voorstellen en deze indienen bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. De Secretaris-Generaal deelt de voorgestelde wijziging vervolgens mede aan de Staten die partij zijn, met het verzoek hem te berichten of zij een conferentie van Staten die partij zijn, verlangen teneinde de voorstellen te bestuderen en in stemming te brengen. Indien, binnen vier maanden na de datum van deze mededeling, ten minste een derde van de Staten die partij zijn een dergelijke conferentie verlangt, roept de Secretaris-Generaal de vergadering onder auspiciën van de Verenigde Naties bijeen. Iedere wijziging die door een meerderheid van de ter conferentie aanwezige Staten die partij zijn en die hun stem uitbrengen, wordt aangenomen, wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Algemene Vergadering.
  2. Een wijziging die in overeenstemming met het eerste lid van dit artikel wordt aangenomen, treedt in werking wanneer zij is goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en is aanvaard door een meerderheid van twee derde van de Staten die partij zijn.
  3. Wanneer een wijziging in werking treedt, is zij bindend voor de Staten die partij zijn die haar hebben aanvaard, terwijl de andere Staten die partij zijn gebonden zullen blijven door de bepalingen van dit Verdrag en door iedere voorgaande wijziging die zij hebben aanvaard.

Artikel 51

  1. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties ontvangt de teksten van de voorbehouden die de Staten op het tijdstip van de bekrachtiging of toetreding maken, en stuurt deze rond aan alle Staten.
  2. Een voorbehoud dat niet verenigbaar is met doel en strekking van dit Verdrag is niet toegestaan.
  3. Een voorbehoud kan te allen tijde worden ingetrokken door een daartoe strekkende mededeling gericht aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die vervolgens alle Staten hiervan in kennis stelt. Deze mededeling wordt van kracht op de datum van ontvangst door de Secretaris-Generaal.

Artikel 52

Een Staat die partij is, kan dit Verdrag opzeggen door een schriftelijke mededeling aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. De opzegging wordt van kracht één jaar na de datum van ontvangst van de mededeling door de Secretaris-Generaal.

Artikel 53

De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties is aangewezen als de depositaris van dit Verdrag.

Artikel 54

Het oorspronkelijke exemplaar van dit Verdrag, waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, is neergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Personen die daartoe behoorlijk gemachtigd zijn door hun regering, hebben dit Verdrag ondertekend. In de landen die meedoen, dienen alle anderen hun ouderlijke macht te erkennen en te respecteren.

Conseo.nl

Labels:

zaterdag 28 maart 2009

Binding aan moeders pappot hindert jongeren bij vinden werk

In de serie Wie is jouw vader vandaag aandacht voor jongerenhuisvesting.

Over wonen in crisistijd gaat deze week een artikel in De Griffioen, hét blad voor Oostellingwerf én daarbuiten. Koopwoningen worden ruim aangeboden zoals in project De Melkweg, appartementen in de wijk Prandinga en aan de houtwal in Oosterwolde. Diverse appartementen zijn er ook in het centrum van Haulerwijk en nieuwbouwwoningen in Waskemeer. Het rentepeil is laag, dus is het de hoogste tijd voor oma om de huurwoning vrij te maken voor jongeren.

Vanochtend bij het jeugdvoetbal de situatie besproken met een andere vader van het D1-team. Als onze kinderen 10, 15 jaar ouder zijn, is een koopwoning niet het éerste wat opkomt. Dan moeten ze toch eerst sparen en dan denk je aan een huurwoning. Zullen er genoeg betaalbare huurwoningen voor hen zijn? Nu al in de streek is een wachtlijst van zeker twee jaar. Voor een mooie woning moet je vaak langer wachten. In de NRC Next van gisteren klaagt Sven Stevenson van de Jonge Socialisten: “Jongeren hebben totaal geen belang bij hoe de woningmarkt in elkaar steekt. Ze hebben onvoldoende toegang tot betaalbare huur- of koopwoningen en betalen zich blauw aan particuliere verhuurders.”

Leiders van drie jongeren organisaties in het catshuis
IJmert Muilwijk (PerspectieF), Harry van der Molen (CDJA) en Sven Stevenson (JS)

Pappot binding

Heel veel jongeren in het Noorden volgen een sportopleiding. Sportopleidingen in het Noorden zijn booming. De eerste leerjaren kun je beginnen in Assen, het vervolg is in Groningen. Wie persé verder wil, kan terecht in het HBO aan de Hanzehogeschool. Sport is dé trots van het Noorden. Maar zóveel afgestudeerden blijven bij moeders pappot hangen, dat zij tot het overschot aan arbeidskrachten gaan behoren. Of een baan onder hun kunnen moeten accepteren.

Moeders doen er dan ook goed aan hun kroost niet voor het kostgeld thuis te houden. Uitvliegen naar de rest van Nederland en Europa is dé oplossing. Het bestaande verdeelsysteem voor huurwoningen is echter gericht op 'lokale binding'. InterActium is een woningcorporatie die werkt aan duurzaam en betaalbaar wonen in Drenthe en Friesland. Zij realiseren in deze crisisperiode in het gehele werkgebied een groot aantal nieuwbouwprojecten, om aan de vraag naar betaalbare woningen te voldoen. Ook kijken ze hoe ze nieuwbouwprojecten kunnen realiseren met partners. Sinds nog niet zo lang werkt InterActium samen met twee andere corporaties, zodat de keuzemogelijkheden voor woningzoekenden ruimer hadden kunnen zijn. Helaas kun je voor woningen in Assen, Smilde, Bovensmilde en Hoogersmilde nog niet zélf een woning kiezen, maar wórdt je gekozen en krijg je bericht.

Voor jongeren is het zoekgebied (De Wolden, Hoogeveen, Meppel, Noordenveld, Oostellingwerf en Westerveld) te klein. Als je voor studie eerst naar Assen en daarna naar Groningen gaat, en later voor werk moet uizwermen, moet je drie keer inschrijven voor een sociale huurwoning, steeds in een andere regio. In de Randstad kan de wachttijd oplopen tot meer dan zeven jaren. Kinderen in de knel is het gevolg.

Voorstel is landelijke samenwerking van corporaties, waarbij tijd die je hebt gewacht bij InterActium, meetelt voor een woning elders. Ideaal is éen woningverdeel systeem voor héel Nederland. Mensen uit de Randstad die files beu zijn, verkassen naar het platteland. Afgestudeerde jongeren worden meer mobiel, en vinden door het hele land werk op niveau.

Bert Kerkhof is CEO van Kindindeknel.nl

Huize Vier harten in Boterpol
Huize Vier harten in de wijk Boterpol

Labels: ,

donderdag 19 maart 2009

Kinderrechten en de plichten van een arts

In de serie 'Wie is jouw vader', vandaag aandacht voor het recht op verantwoorde gezondheidszorg:

Het komt in de regio regelmatig voor, dat een arts of zorgverlener een kind behandelt, maar geen overleg pleegt over de medische toestand met de vader. Zelfs niet als de vader daar specifiek om verzoekt. In dat geval is het raadzaam dat je vader een klacht indient bij een regionaal tuchtcollege. Daarna legt het tuchtcollege een waarschuwing op. Want de arts moet tevoren overleggen over de behandeling.

Overleg met beide ouders

Ook als je vader en moeder uit elkaar zijn, moet een arts met beide ouders overleggen over je medische behandeling. Ongeacht of het om een grote ingreep gaat of een kleine. Dat is tegenwoordig erg belangrijk, omdat veel zorgverleners tijdens hun studie niet geleerd hebben wat een scheiding betekent voor een kind. Een kind leidt na een scheiding vaak aan de gevolgen van een verstoord familieleven (het zogenoemde ouderverstotingssyndroom). Dit is een ziekte die pas onlangs erkenning kreeg, door het uitkomen van een eerste gedegen medisch proefschrift. Een gescheiden vader weet vaak aan den lijve wat het ouderverstotingssyndroom inhoudt voor zijn kind en voor hemzelf. Bovendien is hierover leesbare documentatie op het internet en bestaan vele boeken zoals die van de bekende publicist Joep Zander. Bij onvoldoende overleg met beide ouders wordt te vaak een behandeling gegeven zonder dat een diagnose is gesteld of uitgesproken. Of wordt door een al dan niet medisch gediplomeerd jeugdzorger aan een verkeerde diagnose gedacht, zoals attention deficit of een autisme-, depressie- of affectie stoornis.

Overigens houdt gezamenlijke ouderschap niet in, dat je ouders altijd de volledige zeggenschap hebben in medische situaties. Bij beslissingen over je leven en je dood, is de mening van je ouders voor artsen zwaarwegend maar niet bepalend.

In een artikel van Jurafoon staat dat beide ouders gezag over het kind dienen te hebben. Indien zij niet beiden het gezag hebben, moeten ze dat aanvragen bij een rechter. Echter, gezamenlijk gezag houdt géen beschikkingsrecht over jou in.

Zie verder…


Kinderrechten

Er zijn drie kinderrechten waar het om gaat:

  1. Ben je twaalf jaar of ouder en je wil een behandeling, bijvoorbeeld een vaccinatie tegen de bof of een behandeling tegen geslachtsziekte, dan kun je die wens uiten bij de arts, zelfs als dat tegen de wil is van je moeder. Je kunt een behandeling weigeren die door éen van je ouders of beide ouders is gewenst. In overleg met een zorgverlener kun je met argumenten komen voor een andere behandeling. Laat je uitgebreid informeren door elk van je beide ouders, dan kun je kiezen. Je moet je zorgverlener wél wijzen op alle nadelen die jij ziet in de behandeling die de zorgverlener voorstelt. En naar voren brengen wat jou zélf het beste lijkt.
  2. Indien je vader en moeder niet uit de ouderlijke macht zijn ontzet, dragen zij beiden voor jou de ouderlijke verantwoordelijkheid. Dat staat in het Internationaal Verdrag Rechten van het Kind dat tussen de Verenigde Naties en Nederland is gesloten. Dit verdrag is van harte ondertekend en tóch worden overtredingen geconstateerd. Vooral gezagsontkenning voor buitenechtelijk geboren kinderen is discriminerend en een doorn in het oog. Een groot en groeiend aantal vrouwen kiest om niet te huwen. Binnenkort is meer dan de helft van de kinderen in Nederland uit zo'n moeder geboren. In de meeste beschaafde europese landen (zoals België, Frankrijk, Spanje, Polen) wordt het gezag van ongehuwde vaders niét ontkend. Het grote gevaar van gezagsontkenning is dat je je vader verliest en dat geeft armoede, slechte prestaties op school en een minder gelukkig perspectief voor de rest van jouw leven. Soms (meestal niet) krijg je zogenaamd een 'stiefvader', maar als ook zijn gezag door een zelfzuchtige moeder misgund wordt, is hij hoogstens een doekje voor het bloeden.

    Nederland is herhaaldelijk door de Verenigde Naties op de vingers getikt voor de te kort schietende naleving van het VN Kinderrechten verdrag.

  3. Als je eenmaal zestien bent, is een arts verplicht alles geheim te houden over élke behandeling die in overleg tussen hem en jou wordt aangeboden. Dus zowel je moeder als je vader hebben niets met de beslissingen te maken als jij dat niet wil. Wel zijn je ouders als ze de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, verplicht om (de verzekering) te betalen. Let op, dat je geen schriftelijke verklaring ondertekent, die later in jouw nadeel wordt uitgelegd. Daar kun je spijt van krijgen. Als je een behandeling weigert en een zorgverlener is dat niet met jou eens, dan kan die zorgverlener een 'gemachtigde' zoeken die over jou gaat beslissen. Zelfs zonder dat jij het er mee eens bent. Zelfs als géen van je ouders het er mee eens is. Ook na je zestiende blijft het uitkijken voor commerciële belangen van overbezorgde medische centra en jeugdzorg. Het kan geen kwaad in zo'n geval een second opinion te vragen. En vergeet niet dagelijks stevig te ontbijten, je best te doen op school, voldoende te bewegen en minstens wekelijks contact te hebben met meerdere (minstens twee) volwassenen die echt om jou geven!!

Piet Hein Donner en Wouter Bos geven kinderbijslag en belasting-aftrek aan jouw ouders tot maximaal je zevenentwintigste levensjaar en daar mag je wat voor terug verwachten. Bert Kerkhof is vader van een zoon.

Zie verder…


Labels: ,

dinsdag 10 maart 2009

Moeders vaker gedaagd door justitie

Verscheen tevens in:


Het aantal rechtszaken over het niet nakomen van de afspraken over het ouderschap van gescheiden kinderen, gaat de komende tijd flink stijgen. Dat zeggen familierechtdeskundigen, de kinderbescherming en belangengroepen voor gescheiden ouders. Zij komen tot die conclusie na rechtszaken waarbij moeders tot taakstraffen zijn veroordeeld omdat zij de omgangsregeling van hun kinderen met de vader frustreerden.

De afgelopen weken hebben naar verluid al zeventien mannen aangifte gedaan. Tot nu toe klaagden vaders vaak dat zij met lege handen stonden als moeders de afspraken over de kinderen niet nakwamen.

Volgens de wet behouden zowel de vader als moeder het ouderschap over hun kinderen. In de praktijk werd het verblijf echter meestal toegewezen aan de moeder. Als moeders kwaad wilden, konden zij tot nu toe de omgangsregeling belemmeren. Aangiftes van vader werden door het openbaar ministerie vaak niet in behandeling genomen. De kinderbescherming denkt dat de rechtszaken een preventieve werking kunnen hebben. Zij erkennen dat vaders tot nu toe vaak aan het kortste eind trokken wanneer moeders de boel frustreerden. “Nu er jurisprudentie is, gaan we er van uit dat vaders vaker aangifte zullen doen”, zegt een woordvoerder van de kinderbescherming.

Bestuurslid Paul de Gier van de vereniging van Familierecht Advocaten Scheidingsbemiddelaars (FAS) verwacht dat veel meer aangiften zullen volgen. “Gescheiden vaders zoeken naar mogelijkheden voor samenzijn met hun kinderen. Het is bijzonder dat nu twee keer een taakstraf aan moeders is opgelegd.”

Volgens het parket generaal van het openbaar ministerie zijn vorig jaar tweehonderd aangiftes gedaan wegens onttrekking aan de ouderlijke macht. 120 keer door een man en 80 keer door een vrouw. Hoeveel daarvan in rechtszaken zijn uitgemond is niet duidelijk.

Ik ben mijn kinderen nooit vergeten

Zijn oudste dochter van 11 jaar kwam nooit meer bij hem, nadat ze na een weekend door haar moeder werd teruggeroepen. Dat was vijf jaar geleden. Zijn andere kinderen, nu vijftien en elf jaar, bezochten hem nog wel een tijdje. Eén avond per week, eens in de veertien dagen in het weekeinde en in de helft van de vakanties. Maar een krap half jaar later was ook dat afgelopen. Daarom heeft vader Ben onlangs de ultieme maatregel genomen: aangifte tegen zijn ex-vrouw wegens onttrekking aan het vaderschap. Juist nu een ouderschapsplan verplicht is bij scheiding, zal het aantal aangiftes in verband met onttrekking toenemen, verwachten scheidingsdeskundigen en belangengroepen.

Oude regeling

Het ouderschapsplan is gunstig voor kinderen als beide ouders dit kunnen overeenkomen, menen scheidingsdeskundigen. Maar de sancties als éen van beiden zich er niet aan houdt zijn onvoldoende, zegt Fred Schonewille, docent en onderzoeker echtscheidingsrecht aan de Universiteit van Utrecht en tevens echtscheidingsbemiddelaar. In de vorige regeling kon de benadeelde partij, meestal de vader, binnen zes weken een beroep doen op een civiele rechter. Daarvoor moest hij dan eerst wel een dure advocaat in de arm nemen.

Nieuwe regeling: een ommekeer

Schonewille vindt dat dit zonder advocaat moet kunnen. “In dit soort zaken helpt alleen een lik-op-stuk beleid, het heeft geen effect als een zaak na zes weken nóg eens voor de rechter komt”. Daarom snapt hij wel dat veel vaders nu blij zijn met de mogelijkheid aangifte te doen bij justitie. Hij denkt dat de drie recente strafzaken een ommekeer betekenen. “Andere moeders worden nu meteen door hun advocaat of mediator gewaarschuwd. Dat heeft een afschrikwekkend effect.”

Volgens Fred Schonewille heeft het openbaar ministerie de aangiften lange tijd niet serieus genomen. Kinderen zijn beter af met hun moeder, werd gedacht. Liever een ouder niét zien, dan constante ruzie tussen twee ouders. Men komt er steeds meer achter dat kinderen béide ouders nodig hebben. “Ouders moeten inzien dat ze als partner zijn gescheiden en niet als ouder”.

Vader Ben

Daarmee is vader Ben het helemaal eens. Zélf je ex voor de rechter dagen zou ten koste zijn gegaan van de kinderen. “Het zou van mij een boze vader hebben gemaakt en handen vol geld hebben gekost”.

Ouderschapsplan

Ouders die gaan scheiden zijn vanaf 1 maart verplicht een ouderschapsplan op te stellen. Daarin maken ze afspraken over de opvoeding van hun kinderen, zoals bijvoorbeeld waar de kinderen zijn in vakanties, waar en wanneer ze Kerstmis vieren en wie van de ouders beslist over kledingkeuze.

Het ouderschapsplan maakt deel uit van scheiden, ook voor ouders die hun partnerschap of samenlevingsvorm schriftelijk hebben vastgelegd, bijvoorbeeld met hulp van een notaris. Als ouders dat nog niet hebben, moeten ze alsnog om de tafel. Die regeling zorgt er voor, dat ouders na scheiding gezamenlijk verantwoordelijk blijven voor de kinderen. Ook het burgerlijk wetboek streeft naar de normen en waarden van Kind in de knel, al is de tekst van de wet nog gatenkaas voor kinderen waarvan de ouders ongehuwd samenwonend zijn.

Gatenkaas in Burgerlijk Wetboek

Labels: ,

Open knowledge and freedom of communication
CSS validator test

StatCounter geeft relevante overzichten
Tidy test
Een ánder Europa is mogelijk