Vanwege breuk van een netwerk kabel buiten onze schuld was
maandag 25 augustus éen van onze servers niet te bereiken, inmiddels is dit verholpen.

©Conseo

Kind in de knel

  • Ondersteun de vader en de fantastische moeder die elk willen Có-ouderen, zelf samen kinderen opvoeden, al dan niet samen wónend. Verbeter taal, politiek en cultuur van het maatschappelijk middenveld, opdat váder ook in de traditionele gebieden wordt gerespecteerd. Wij moedigen aan vol te houden kinderen in voorspoed en geluk groot te brengen…

 
maandag 7 september 2009

Steeds meer gesubsidieerde rechtsbijstand nodig

Steeds vaker wordt een beroep gedaan op gesubsidieerde rechtsbijstand: via een advocaat, een mediator of het juridisch loket. Dat is een conclusie uit de Monitor gesubsidieerde rechtsbijstand 2008 die vandaag is verschenen. Er werden 422.530 toevoegingen afgegeven in 2008 aan advocaten en mediators voor het verlenen van gesubsidieerde rechtsbijstand. Ten opzichte van het jaar 2000 is het aantal toevoegingen met 44 procent gestegen. Het aantal straftoevoegingen steeg het meest.

Door een koppeling met gegevens van het Centraal bureau voor de statistiek (CBS) worden van de gebruikers van het stelsel ook al achtergrondkenmerken in kaart gebracht. Vooral alleenstaande moeders, uitkeringsgerechtigden en niet-westerse allochtonen komen in aanmerking. Met cijfers van het CBS over inkomen en gezinssamenstelling is berekend dat 39 procent van de nederlandse bevolking aanspraak kan maken op gesubsidieerde rechtsbijstand.

In 2008 nam het aantal toevoegingen toe dat aan mediators werd verstrekt. Maar in vergelijking met rechtsbijstand door advocaten komt het slechts langzaam van de grond.

In 2008 verleenden ruim 7.100 advocaten gesubsidieerde rechtsbijstand, iets meer dan het jaar ervoor. Dit is 44 procent van de advocaten die bij de nederlandse orde van advocaten (NOvA) staan ingeschreven, dus het merendeel van de advocaten doet geen pro deo werk. Het aantal juridisch loketklanten is opnieuw gestegen van 600.000 klanten in 2007 naar 664.000 klanten in 2008.

De Monitor gesubsidieerde rechtsbijstand verschaft getalsmatig inzicht in de toekomst, het heden en het verleden van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand. Evaluatiepunten zijn:

  1. Toegankelijkheid van het stelsel voor (minder draagkrachtige) rechtzoekenden
  2. Aanbod aan rechtsbijstandverleners
  3. Kwaliteit van de gesubsidieerde rechtsbijstand

Méer informatie

In juni 2008 was er een beleidsdoorlichting Toegang tot het recht van het ministerie van justitie. Daarin staat dat de voorziening op een breed draagvlak kan rekenen en dat de controle op financiële middelen adequaat wordt uitgevoerd.

Labels:

dinsdag 10 maart 2009

Moeders vaker gedaagd door justitie

Verscheen tevens in:


Het aantal rechtszaken over het niet nakomen van de afspraken over het ouderschap van gescheiden kinderen, gaat de komende tijd flink stijgen. Dat zeggen familierechtdeskundigen, de kinderbescherming en belangengroepen voor gescheiden ouders. Zij komen tot die conclusie na rechtszaken waarbij moeders tot taakstraffen zijn veroordeeld omdat zij de omgangsregeling van hun kinderen met de vader frustreerden.

De afgelopen weken hebben naar verluid al zeventien mannen aangifte gedaan. Tot nu toe klaagden vaders vaak dat zij met lege handen stonden als moeders de afspraken over de kinderen niet nakwamen.

Volgens de wet behouden zowel de vader als moeder het ouderschap over hun kinderen. In de praktijk werd het verblijf echter meestal toegewezen aan de moeder. Als moeders kwaad wilden, konden zij tot nu toe de omgangsregeling belemmeren. Aangiftes van vader werden door het openbaar ministerie vaak niet in behandeling genomen. De kinderbescherming denkt dat de rechtszaken een preventieve werking kunnen hebben. Zij erkennen dat vaders tot nu toe vaak aan het kortste eind trokken wanneer moeders de boel frustreerden. “Nu er jurisprudentie is, gaan we er van uit dat vaders vaker aangifte zullen doen”, zegt een woordvoerder van de kinderbescherming.

Bestuurslid Paul de Gier van de vereniging van Familierecht Advocaten Scheidingsbemiddelaars (FAS) verwacht dat veel meer aangiften zullen volgen. “Gescheiden vaders zoeken naar mogelijkheden voor samenzijn met hun kinderen. Het is bijzonder dat nu twee keer een taakstraf aan moeders is opgelegd.”

Volgens het parket generaal van het openbaar ministerie zijn vorig jaar tweehonderd aangiftes gedaan wegens onttrekking aan de ouderlijke macht. 120 keer door een man en 80 keer door een vrouw. Hoeveel daarvan in rechtszaken zijn uitgemond is niet duidelijk.

Ik ben mijn kinderen nooit vergeten

Zijn oudste dochter van 11 jaar kwam nooit meer bij hem, nadat ze na een weekend door haar moeder werd teruggeroepen. Dat was vijf jaar geleden. Zijn andere kinderen, nu vijftien en elf jaar, bezochten hem nog wel een tijdje. Eén avond per week, eens in de veertien dagen in het weekeinde en in de helft van de vakanties. Maar een krap half jaar later was ook dat afgelopen. Daarom heeft vader Ben onlangs de ultieme maatregel genomen: aangifte tegen zijn ex-vrouw wegens onttrekking aan het vaderschap. Juist nu een ouderschapsplan verplicht is bij scheiding, zal het aantal aangiftes in verband met onttrekking toenemen, verwachten scheidingsdeskundigen en belangengroepen.

Oude regeling

Het ouderschapsplan is gunstig voor kinderen als beide ouders dit kunnen overeenkomen, menen scheidingsdeskundigen. Maar de sancties als éen van beiden zich er niet aan houdt zijn onvoldoende, zegt Fred Schonewille, docent en onderzoeker echtscheidingsrecht aan de Universiteit van Utrecht en tevens echtscheidingsbemiddelaar. In de vorige regeling kon de benadeelde partij, meestal de vader, binnen zes weken een beroep doen op een civiele rechter. Daarvoor moest hij dan eerst wel een dure advocaat in de arm nemen.

Nieuwe regeling: een ommekeer

Schonewille vindt dat dit zonder advocaat moet kunnen. “In dit soort zaken helpt alleen een lik-op-stuk beleid, het heeft geen effect als een zaak na zes weken nóg eens voor de rechter komt”. Daarom snapt hij wel dat veel vaders nu blij zijn met de mogelijkheid aangifte te doen bij justitie. Hij denkt dat de drie recente strafzaken een ommekeer betekenen. “Andere moeders worden nu meteen door hun advocaat of mediator gewaarschuwd. Dat heeft een afschrikwekkend effect.”

Volgens Fred Schonewille heeft het openbaar ministerie de aangiften lange tijd niet serieus genomen. Kinderen zijn beter af met hun moeder, werd gedacht. Liever een ouder niét zien, dan constante ruzie tussen twee ouders. Men komt er steeds meer achter dat kinderen béide ouders nodig hebben. “Ouders moeten inzien dat ze als partner zijn gescheiden en niet als ouder”.

Vader Ben

Daarmee is vader Ben het helemaal eens. Zélf je ex voor de rechter dagen zou ten koste zijn gegaan van de kinderen. “Het zou van mij een boze vader hebben gemaakt en handen vol geld hebben gekost”.

Ouderschapsplan

Ouders die gaan scheiden zijn vanaf 1 maart verplicht een ouderschapsplan op te stellen. Daarin maken ze afspraken over de opvoeding van hun kinderen, zoals bijvoorbeeld waar de kinderen zijn in vakanties, waar en wanneer ze Kerstmis vieren en wie van de ouders beslist over kledingkeuze.

Het ouderschapsplan maakt deel uit van scheiden, ook voor ouders die hun partnerschap of samenlevingsvorm schriftelijk hebben vastgelegd, bijvoorbeeld met hulp van een notaris. Als ouders dat nog niet hebben, moeten ze alsnog om de tafel. Die regeling zorgt er voor, dat ouders na scheiding gezamenlijk verantwoordelijk blijven voor de kinderen. Ook het burgerlijk wetboek streeft naar de normen en waarden van Kind in de knel, al is de tekst van de wet nog gatenkaas voor kinderen waarvan de ouders ongehuwd samenwonend zijn.

Gatenkaas in Burgerlijk Wetboek

Labels: ,

zaterdag 25 oktober 2008

Omgangsregeling en naleving regelen in éen rechtszaak

Staatssecretaris Nebahat Albayrak van Justitie was gisteravond in Pauw en Witteman en wil de rechtsgangen bij scheiding samenvoegen. Zij wil dat ouders niet meerdere keren naar de rechter moeten voor scheiding, omgang voor de kinderen, kinderalimentatie en partner alimentatie. Zij pleit ervoor alles te regelen in één rechtszaak.

Omgangsregeling én naleving regelen in één rechtszaak geeft minder rechtszaken en dat is goed voor kinderen na een scheiding. Zo is er minder onenigheid en conflict. Het scheelt ook geld en dat is meegenomen, zowel voor vaders als voor de overheid. Proficiat met dit voorstel dus!

 

Het blijft mogelijk in conflictsituaties te kiezen voor elk een eigen vecht advocaat. Maar Nebahat wil stimuleren dat beide ouders één mediator in de arm nemen. Dat gebeurt nu al in ongeveer 50 procent van de gevallen en dat percentage kan hoger: ‘Als ze dat doen dan wordt het goedkoper’.

Gratis rechtsbijstand voor iedereen

Voor moeders is de rechtsbijstand vaak gratis (afhankelijk van het inkomen). Een moeder met bijstand en een ruime kinderalimentatie, betaalt voor mediatie € 47. Maar een vader die kinder- en eventuele partner alimentatie moet betalen en daarna minder overhoudt dan het minimumloon, legt voor dezelfde mediator vele honderden euro's meer neer. De dochter van een Rotterdamse steigerbouwer wil gratis rechtsbijstand voor iedereen.

Een aantal kranten berichten n.a.v. de instelling van de Regiegroep Toegankelijk Recht, dat op de rechtsbijstand gaat worden beknibbeld. De kosten van rechtsbijstand worden voornamelijk veroorzaakt door inëfficentie van het familierecht (meerdere gangen naar de rechter per scheiding). In 2007 werden maar liefst 83.000 toevoegingen voor scheidende minvermogenden afgegeven, terwijl er in in totaal 35.000 echtscheidingen per jaar zijn in Nederland. Daarbij is voor circa € 70 miljoen aan declaraties uitbetaald.

De mogelijkheid om iedereen gratis rechtshulp te kunnen bieden, hangt af van het succes waarmee de verschillende familie rechtsgangen kunnen worden samengevoegd tot één. Onduidelijk op dit moment is of het ideaal van Albayrak op een korte termijn kan worden verwezenlijkt. Het kabinet gaat vooralsnog uit van besparingsverliezen tot en met 2011. Of reeds in het kader van de invoering van het Gelijkwaardig ouderschap de prijzen voor mediatie voor vaders worden aangepast, is onbekend.

Samenvoegen rechtsgangen

Al langer pleit Kind in de knel voor samenvoegen van familie rechtsgangen. Als je als vader wil zorgen voor je kind en de moeder wil dit niet, dan moet je vervangende toestemming voor erkenning aanvragen. Om samen te zijn met je kind, is het regelen van omgang nodig. Dikwijls ontbreekt het naleven van de omgangsregeling waarvoor je naar de rechter moet. En wil je als vader iets te zeggen hebben over de opvoeding, dan is het aanvragen van gezag nodig. Per aanvraag moet je een dure advocaat betalen. Daar komt bij € 192 voor de rechtbank. En door de erkenning wordt kinderalimentatie verschuldigd totdat het kind 21 jaar is.

Het erkennen is aantrekkelijker voor vaders als de erkenning, de omgang, het naleven van de omgangsregeling en ook het gezag voor het kind in één zaak worden uitonderhandeld. Zoals bekend is het beter voor een kind om door twee gezaghebbende ouders opgevoed te worden. Vaderloosheid brengt ernstige schade toe aan de ontwikkeling van een kind.

Robin de Boy Wonder

Meerdere rechtszaken alleen al om met de kinderen samen te kunnen zijn, overkwam ook Dennis Grippeling. Hij sloot een echtscheidingsconvenant in 2001 voor een 50-50% co-ouderschap. Daarop vroeg de moeder aan weer een andere rechter, om éénouderschap voor haar zelf. Terwijl hij de ouderlijke verantwoordelijkheid heeft voor zijn kinderen, stelde deze rechter een omgangsregeling vast, die afweek van de afgesproken 50-50% verhouding.

Robin The Boy Wonder op de Waalbrug in Nijmegen Acties van Dennis in 2005 en 2006

Bij ‘Robin de Boy Wonder’ Fathers-4-Justice acties bij de Waalbrug, kreeg Dennis bekendheid als regisseur, acrobaat en filmer tegelijk. Toen de omgangsregeling structureel niet werd nagekomen, vroeg de vader een dwangsom vast te stellen. Zijn advocate weigerde echter dienst door niet te vragen de kosten van de rechtsgang op de moeder te verhalen.

Dennis ontving de uitspraak afgelopen donderdag. Hij las tot zijn grote schrik dat de rechtbank vindt dat zijn zonen voortaan op zondag twee uur minder bij hem mogen blijven. ‘Daar had niemand om verzocht, hoe komen deze falende familierechters hierbij’, vraagt hij zich af. Waarom hebben deze prutsers dit gedaan?

Bovendien bepaalde deze rechter dat de zaak over een half jaar opnieuw moet voorkomen. Als over een half jaar blijkt dat de communicatie tussen moeder en vader niet optimaal is, dreigde ze, dan gaat ze over tot ‘eenouderschap voor de kinderen’ (vaderloosheid, red). Volgens vader is de missie van moeder nu, om alles in het werk te stellen om de communicatie te laten mislukken met als beloning voor haar, dat ze meer rechten krijgt. Hij vind dat ‘de kat op het spek binden’.

Inmiddels heeft de advocate van Dennis woedend gereageerd naar hem, omdat er over de zaak openlijk wordt geschreven op het internet. Ook zij ging dreigen, namelijk met hoge kosten. En ze weigert hem verder te helpen met een hoger beroep. Kennelijk wil een familierecht advocate het op die manier oplossen met een vader die het lef heeft kritiek te uiten. De taal die deze advocate bezigde wordt u bespaard. Het is zwaar verboden om kritiek te leveren op werk van familierechtadvocaten of het familierecht, daar komt het op neer.

De voorstellen van de staatssecretaris volgen direct op deze rechtszaken die een onttrekking inhouden van kinderen aan het ouderlijk gezag van pedagogisch werker en docent Dennis Grippeling.

Het eventuele hoger beroep
Kind in de knel meent dat Dennis in hoger beroep dient te gaan. Communicatieproblemen houden op zichzelf niet in, dat vader ongeschikt of onmachtig zou zijn, zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen (burgerrecht éérste boek art 266). Want vader komt zijn verplichting tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding na, ook al wordt hij uitgekleed door rechtbank en advocatuur (burgerrecht éérste boek art 406). Als zijn jongens thuis komen bij hem, zorgt hij dat er eten is. En dat gaat zeker lukken na het verstrekken van een voedselpakket aan vader door Henk Westbroek.

Door het niet nakomen van het eerder afgesproken co-ouderschap is sprake van een mate van onttrekking aan het ouderlijk gezag door de moeder. Onder regie van justitie dient naleving tot stand te komen (strafrecht art 279), gelet ook op de uitspraak van de Hoge Raad van 15 oktober 2005 (dochter) in samenhang met Grondwet art 1 (gelijkstelling dochter met zonen).

Verzoek aan de rechter om de moeder te veroordelen tot betaling van alle rechtskosten, zowel die voor de advocatuur van het hoger beroep als voor de griffie van rechtbank en gerechtshof, mede gelet op de door vader gedane vervangende civiele dienst: ‘waar het recht tot onrecht wordt, wordt verzet tot plicht’.

Kind in de knel stelt verder vast dat alleen al voor het regelen van voldoende samenzijn voor de kinderen met de vader nu vier rechtszaken nodig zijn:

  1. Voor het tussen partners bij de rechter gesloten echtscheidingsconvenant 50-50%
  2. Voor het aanvragen van het éénouderschap door de moeder en een ongevraagde rechter
  3. Voor het vaststellen van een dwangsom op het niet nakomen van een omgangsregeling
  4. Voor herstel van het eerder overeengekomen co-ouderschap en de veroordeling in rechtskosten.

Kind in de knel is van mening:

  • Bij niet nakomen van een regeling voor de kinderen kan de handhaving niet een half jaar worden uitgesteld. Dat leidt alleen maar tot escalatie van onrecht. De wetgeving over het echtscheidingsconvenant en de zorgplicht voor kinderen door beide ouders na scheiding is duidelijk genoeg. Rechters en OM moeten zich aan de wet houden.
  • Alle rechtskosten bij omgangsweigering moeten worden betaald door de weigerende ouder. Daar is geen wetswijziging voor nodig, ook advocates aan vaders zijde dienen hierom te vragen. Het is tenslotte niet normaal dat een afgesproken co-ouderschap eenzijdig (zowel griffiekosten als advocatuur) op de helling wordt gezet.
  • Het vaststellen van een ouderschapsplan of omgangsplan en het vaststellen van een boete op het niet nakomen van de regeling kunnen in één rechtszaak worden geregeld. Dit vraagt Kind in de knel aan staatssecretaris Nebahat Albayrak van Justitie en aan het parlement.

Overlevingspakket voor Dennis Grippeling

Contact…


Met dank aan de alertheid van Alexander Pechtold van D66, de redactie van Pauw en Witteman 24 okt 2008 en aan RTV Utrecht programma Uitgekleed 21 okt 2008.

Labels: ,

dinsdag 29 april 2008

Division of power between civil- and governmental judgement

The verdict of the dutch Central Counsel of Appeal on the division of power between civil- and governmental judgement also can be read at their site 'LJN BD1113'. Together with our european service institute we manage an online copy identical with the original one beneath.

The administrator,
handtekening


LJN: BD1113, Centrale Raad van Beroep , 07/5227 WJZ

Datum uitspraak:  29-04-2008
Datum publicatie: 07-05-2008
Rechtsgebied:     Sociale zekerheid
Soort procedure:  Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Indicatiebesluiten Wet op de jeugdzorg. Rechtsmachtverdeling
tussen de kinderrechter als civiele rechter en de kinderrechter als bestuursrechter.
Hoger beroep tegen uitspraken van de kinderrechter als bestuursrechter moet worden
ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitspraak
07/5227 WJZ 

Centrale Raad van Beroep 

Meervoudige kamer 

U I T S P R A A K 

op het hoger beroep van: 

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante) 

tegen de uitspraak van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 juli
2007, 287483 / JE RK 07-1107 (hierna: aangevallen uitspraak) 

in het geding tussen: 

appellante 

en 

de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, gevestigd te ’s-Gravenhage (hierna: Bureau
Jeugdzorg Haaglanden) 


Datum uitspraak: 29 april 2008 


I. PROCESVERLOOP 

Namens appellante heeft drs. N.J.M. Mul, arts te Raalte, hoger beroep ingesteld. 

De secretaris van de Raad van State heeft, met toepassing van artikel 6:15, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), de zaak doorgezonden aan de
Centrale Raad van Beroep. 

Bureau Jeugdzorg Haaglanden heeft een verweerschrift ingediend. 

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2008. Appellante heeft
zich laten vertegenwoordigen door drs. Mul. Bureau Jeugdzorg Haaglanden heeft zich
niet laten vertegenwoordigen. 


II. OVERWEGINGEN 

1.1. De op 22 april 2004 geboren zoon van appellante (hierna: minderjarige) is vanaf
september 2004 door de kinderrechter met toepassing van artikel 1:254 van het
Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) onder toezicht gesteld. Tevens is door de
kinderrechter ten aanzien van de minderjarige met toepassing van artikel 1:261 van
het BW vanaf september 2004 - en met uitzondering van de periode van januari 2005 tot
en met maart 2005 - een machtiging tot uithuisplaatsing verleend, voor zover in dit
geding van belang laatstelijk tot en met 18 april 2007. 

1.2. In het kader van een mogelijke verlenging van de ondertoezichtstelling en de
uithuisplaatsing vanaf 19 april 2007 heeft Bureau Jeugdzorg Haaglanden bij
(indicatie)besluit van 23 februari 2007 bepaald dat de minderjarige op grond van de Wet
op de jeugdzorg (hierna: WJZ) is aangewezen op “jeugdhulp thuis individueel. Aantal
contacturen: 1” en op “verblijf pleegouder 24 uurs. Aantal dagen per week: 7. Aantal
uren per etmaal: 24”. Daarbij is onder andere vermeld: “Dit indicatiebesluit treedt pas
in werking als voor de uithuisplaatsing een machtiging van de kinderrechter is verkregen.
De kinderrechter bepaalt hoe lang de zorg nodig is. Indien de machtiging niet wordt 
verleend, vervalt dit besluit.”. 

1.3. Namens appellante is bezwaar gemaakt tegen het indicatiebesluit van 23 februari
2007. 

1.4. Bij - civielrechtelijke - beschikking van 17 april 2007 heeft de kinderrechter in
de rechtbank ’s-Gravenhage met toepassing van artikel 1:254 van het BW de
ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd voor de periode van 19 april 2007
tot en met 18 april 2008 en, ter effectuering van het indicatiebesluit van 23 februari
2007, met toepassing van artikel 1:261 van het BW de verleende machtiging tot
uithuisplaatsing van de minderjarige verlengd voor de periode van 19 april 2007 tot
en met 18 oktober 2007. 

1.5. Bij besluit van 25 april 2007 heeft Bureau Jeugdzorg Haaglanden het bezwaar tegen
het indicatiebesluit van 23 februari 2007 niet-ontvankelijk verklaard. 

1.6. In verband met het herstellen van een bevoegdheidsgebrek heeft Bureau Jeugdzorg
Haaglanden het besluit van 25 april 2007 ingetrokken en vervangen door een verbeterd
besluit met dezelfde strekking, gedateerd 29 juni 2007. 

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de kinderrechter het namens appellante tegen het
besluit van 25 april 2007 ingestelde beroep met toepassing van de artikelen 6:18 en 
6:19, eerste lid, van de Awb mede gericht geacht tegen het besluit van 29 juni 2007,
en het beroep ongegrond verklaard. 

3. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat de kinderrechter ter zitting
van 17 april 2007, die is voorafgegaan aan de beschikking van 17 april 2007 waarbij
de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn verlengd, niet
heeft willen ingaan op de door appellante naar voren gebrachte - inhoudelijke -
bezwaren tegen het indicatiebesluit van 23 februari 2007 omdat daarvoor andere
procedures aangewezen zouden zijn. Met verwijzing naar artikel 5, vijfde lid, van de
WJZ is appellante van mening dat de kinderrechter in de - civielrechtelijke -
beschikking van 17 april 2007 (ook) het indicatiebesluit van 23 februari 2007
inhoudelijk had moeten toetsen. Nu dit niet is gebeurd, dient volgens appellante een
afzonderlijke - bestuursrechtelijke - rechtsgang tegen het indicatiebesluit van 23
februari 2007 open te staan omdat anders sprake zou zijn van “rechtsweigering”.
Bureau Jeugdzorg Haaglanden heeft daarom het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk
verklaard en de kinderrechter heeft bij de aangevallen uitspraak deze beslissing ten
onrechte in stand gelaten. 

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 

4.1.1. Ingevolge artikel 3, derde lid, eerste volzin, van de WJZ heeft een cliënt
slechts aanspraak op jeugdzorg ingevolge de WJZ als de bevoegde stichting die een
bureau jeugdzorg instandhoudt, een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat de cliënt
op die zorg is aangewezen.

4.1.2. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de WJZ heeft een stichting die een bureau
jeugdzorg instandhoudt, tot taak te bezien of een cliënt zorg nodig heeft in verband
met opgroei-, opvoedings- of psychiatrische problemen, dan wel in verband met
problemen van een cliënt, niet zijnde een jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van
een jeugdige belemmeren. 

4.1.3. In artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de WJZ is bepaald dat
tot de in artikel 5, eerste lid, van de WJZ bedoelde taak behoort het vaststellen of
een cliënt is aangewezen op jeugdzorg waarop ingevolge de WJZ aanspraak bestaat of
op zorg, bestaande uit bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vormen van
geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen waarop ingevolge de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) dan wel ingevolge een zorgverzekering als
bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet aanspraak bestaat. 

4.1.4. In artikel 6, eerste en tweede lid, van de WJZ zijn nadere bepalingen opgenomen
over de inhoud van een besluit als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de WJZ. 

4.1.5. Ingevolge artikel 6, vierde lid, van de WJZ vervalt de aanspraak op zorg, naast
de in artikel 6, derde lid, van de WJZ genoemde gevallen, voorts indien de bevoegde
stichting die een bureau jeugdzorg instandhoudt een besluit neemt waarbij wordt
vastgesteld dat een cliënt niet langer is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5,
tweede lid, van de WJZ. 

4.1.6. Ingevolge artikel 5, vijfde lid, van de WJZ is in afwijking van artikel 8:7
van de Awb voor beroepen tegen beschikkingen, gegeven op grond van de artikelen 5,
tweede lid, en 6, vierde lid, van de WJZ, bevoegd de kinderrechter binnen het
rechtsgebied waarvan de bevoegde stichting die een bureau jeugdzorg instandhoudt
haar zetel heeft. 

4.1.7. Artikel 1:261, eerste en tweede lid, van het BW - voor zover hier van belang
- luidt: 
“1. Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de
minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan
de kinderrechter de stichting [die een bureau jeugdzorg instandhoudt,] op haar verzoek
machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. (…) 
2. Indien de uithuisplaatsing betrekking heeft op zorg als bedoeld in artikel 5,
tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg, is het verzoek gericht op effectuering van
het besluit, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van die wet. Dit besluit wordt bij het
verzoek overgelegd. (…).”. 

4.1.8. Artikel 3, vierde lid, eerste en tweede volzin, van de WJZ luidt: 
“Indien het besluit van de stichting strekt tot uithuisplaatsing in het kader van een
ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek, treedt het niet in werking dan nadat de in dat artikel bedoelde machtiging
van de kinderrechter is verkregen. Indien de machtiging niet wordt verleend, vervalt
het besluit.”. 

4.1.9. Ingevolge artikel 8:5, eerste lid, en onderdeel H, onder 3, van de bijlage bij
de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 3,
vierde lid, van de WJZ en evenmin tegen een besluit als bedoeld in artikel 6, eerste
lid, van de WJZ voor zover dit besluit is genomen ter uitvoering van de taak, bedoeld
in artikel 10, eerste lid, onder b, van de WJZ of in artikel 10, eerste lid, onder c,
van de WJZ met uitzondering van de daarin bedoelde nazorg en de daarin genoemde
begeleiding, bedoeld in artikel 77h van het Wetboek van Strafrecht. 

4.2. De Raad ziet aanleiding zich allereerst in algemene zin uit te laten over het
stelsel van rechtsbescherming met betrekking tot geschillen over indicatiestelling
in het kader van de WJZ. 

4.2.1. Tegen een (indicatie)besluit als bedoeld in de artikelen 5, tweede lid, 6,
eerste en tweede lid, en 6, vierde lid, van de WJZ kan op grond van de artikelen 7:1
en 8:1 van de Awb bezwaar worden gemaakt en vervolgens beroep bij de rechtbank worden
ingesteld, tenzij het een besluit betreft als bedoeld in artikel 8:5, eerste lid, en
onderdeel H, onder 3, van de bijlage bij de Awb. Uit artikel 5, vijfde lid, van de
WJZ vloeit voort dat het beroep dient te worden behandeld door de kinderrechter in
de - relatief - bevoegde rechtbank. 

4.2.2. Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet kan
bij de Raad hoger beroep worden ingesteld tegen een uitspraak van (de
voorzieningenrechter van) de rechtbank inzake een besluit, genomen op grond van een
wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage bij de Beroepswet. 

4.2.3. Een door een stichting die een bureau jeugdzorg instandhoudt genomen
(indicatie)besluit vindt zijn grondslag in de WJZ. Deze wet is niet opgenomen in de
bijlage bij de Beroepswet. Dit betekent dat de Raad in beginsel niet bevoegd is van
het hoger beroep kennis te nemen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is dit echter
anders, indien sprake is van een kennelijk of onmiskenbaar onbedoeld hiaat in de
rechtsmachtbepaling en voorts de betrokken besluiten naar onderwerp, kader,
strekking of toepasselijk recht een zodanig sterke verwantschap tonen met de in de
bijlage bij de Beroepswet opgenomen dan wel anderszins aan de Raad toebedeelde
wetten en - andere - regelingen, dat aan de Raad desondanks de bevoegdheid dient
toe te komen in hoger beroep te oordelen over een uitspraak van (de
voorzieningenrechter van) de rechtbank terzake. 

4.2.4. Naar het oordeel van de Raad doet deze situatie zich hier voor. De
indicatiestelling in het kader van de WJZ toont sterke verwantschap met
indicatiestellingen voor jeugdzorg in het kader van de AWBZ (zo dient die zorg in
de in artikel 9b, vierde lid, van de AWBZ beschreven situaties door een stichting
die een bureau jeugdzorg instandhoudt te worden geïndiceerd) en met jeugdzorg die
wordt verleend in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: WMO),
welke wetten beide zijn opgenomen in de bijlage bij de Beroepswet. Het ligt dan
ook in de rede dat de door de wetgever voor de AWBZ en de WMO aangewezen
appelrechter ook kennis neemt van het hoger beroep tegen uitspraken inzake
(indicatie)besluiten die hun grondslag vinden in de WJZ. 

4.2.5. De Raad overweegt in dit verband voorts nog dat de in de nadere memorie
van antwoord aan de Eerste Kamer opgenomen zinsnede “dat hoger beroep dient te
worden ingesteld bij de Raad van State en niet bij het gerechtshof” (Eerste Kamer,
vergaderjaar 2003-2004, 28 168, D, p. 14) niet kan worden gezien als een
uitdrukkelijke andersluidende keuze van de wetgever, nu de passage waarin deze
zinsnede is opgenomen er slechts toe strekt om duidelijk te maken dat niet de
civielrechtelijke appelrechter (het gerechtshof) maar de bestuursrechtelijke
appelrechter terzake bevoegd is. 

4.2.6. Tegen een (indicatie)besluit als bedoeld in artikel 8:5, eerste lid, en
onderdeel H, onder 3, van de bijlage bij de Awb staat geen bestuursrechtelijke 
rechtsbescherming open. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 3, vierde
lid, van de WJZ is een indicatiebesluit inzake een onder toezicht gestelde cliënt,
inhoudende een uithuisplaatsing, van beroep uitgezonderd teneinde een dubbele
rechtsgang te voorkomen. Daarbij is onder meer het volgende aangegeven: “Zoals
eerder is opgemerkt staat tegen een indicatiebesluit beroep op grond van de Awb
open. Bij ondertoezichtstelling is voor de effectuering van een indicatie die strekt
tot uithuisplaatsing een machtiging van de kinderrechter nodig. Om dubbele
procedures te voorkomen bepaalt het voorgestelde vierde lid [van artikel 3 van de
WJZ], dat een indicatiebesluit van de stichting, dat strekt tot uithuisplaatsing
in het kader van de ondertoezichtstelling eerst in werking treedt nadat de
machtiging van de kinderrechter, bedoeld in artikel 1:261 van het BW, is verkregen.
De kinderrechter oordeelt in de gevallen dat cliënten zich niet met het
indicatiebesluit kunnen verenigen eveneens over bezwaren tegen het
indicatiebesluit.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 168, nr. 3, p. 52 en
85). Hieruit volgt dat de kinderrechter in het kader van deze - civielrechtelijke
- procedure tevens, als voorvraag, de rechtmatigheid van het indicatiebesluit
dient te toetsen. Een eventueel hoger beroep wordt beoordeeld door het - relatief
- bevoegde gerechtshof. 

4.2.7. In dit verband overweegt de Raad voorts nog dat uit het feit dat het
indicatiebesluit - geheel - vervalt indien de kinderrechter de machtiging tot
uithuisplaatsing niet verleent, volgt dat voor een aparte bestuursrechtelijke
beoordeling van dat besluit voor zover daarbij andere zorg dan uithuisplaatsing
is geïndiceerd, geen plaats is. Ook daarover wordt dus in de civielrechtelijke
procedure geoordeeld. Het voorgaande is in overeenstemming met de jurisprudentie
van de Raad dat een indicatiebesluit, gelet op de samenhang tussen de - mogelijk -
te indiceren zorgfuncties, één en ondeelbaar is (vgl. de uitspraak van de Raad
van 28 november 2007, LJN: BB9311). 

4.3. Toegespitst op het voorliggende geval leidt dit tot het volgende. 

4.3.1. Het indicatiebesluit van 23 februari 2007 is een besluit als bedoeld in
artikel 3, vierde lid, van de WJZ. Gelet op artikel 8:5, eerste lid, en onderdeel
H, onder 3, van de bijlage bij de Awb kon tegen dat besluit geen beroep worden
ingesteld en gelet op artikel 7:1 van de Awb kon daartegen ook geen bezwaar worden
gemaakt. De kinderrechter diende in de - civielrechtelijke - beschikking van 17
april 2007 tevens de rechtmatigheid van het indicatiebesluit te toetsen. Appellante
had haar standpunt dat de kinderrechter dit ten onrechte heeft nagelaten, kunnen
inbrengen in het kader van een - civielrechtelijk - hoger beroep bij het gerechtshof
te ’s-Gravenhage. 

4.3.2. Bureau Jeugdzorg Haaglanden heeft bij het besluit van 25 april 2007 het
bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 februari 2007 terecht
niet-ontvankelijk verklaard. De kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage heeft
zich, als meest gerede rechter gelet op het stelsel van rechtsbescherming in het
kader van de WJZ, terecht bevoegd geacht kennis te nemen van het beroep tegen het
besluit van 25 april 2007. De Raad is, als meest gerede rechter, bevoegd kennis
te nemen van het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 

4.3.3. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen. Voor een veroordeling in
de proceskosten bestaat geen grond. 

4.3.4. Ten overvloede merkt de Raad nog op het minder juist te achten dat de
kinderrechter de aangevallen uitspraak heeft aangeduid als “Beschikking” en niet
als “Uitspraak”. 

III. BESLISSING 

De Centrale Raad van Beroep; 

Recht doende: 

Bevestigt de aangevallen uitspraak. 

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en R.M. van Male en
J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als
griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008. 

(get.) T.G.M. Simons. 

(get.) S.R. Bagga. 

Labels: ,

woensdag 23 februari 2005

Politiebureau zet vader onder druk: 'afstand doen van kinderen'

Hij is zojuist vrijgekomen uit een cel van een politiebureau, laat hij weten. Door omgangsweigering van zijn ex, ziet de vader al anderhalf jaar zijn kinderen niet meer. Al meermalen heeft hij rechtszaken over de omgang gewonnen. Daarbij is zijn ex veroordeeld tot het betalen van een dwangsom voor elk geweigerd omgangsmoment.

De ex verklaarde tegenover haar therapeute, dat ze van plan is om zichzelf van kant te maken en daarin haar kinderen te willen meenemen. De therapeute maakte daarvan melding bij het Advies en Meldpunt Kindermishandeling (AMK).

AMK Almelo

Onlangs deed de ex aangifte tegen hem wegens 'bedreiging' en 'stalking'. Daarom werd hij afgelopen maandag gearresteerd. Op het politiebureau kwam de aap uit de mouw: Het was zijn verzoek aan de rechtbank om het family-life tussen hem en zijn kinderen te respecteren, dat 'de bedreiging' voor zijn ex vormde. Het door een deurwaarder laten innen van de door de rechter vastgestelde dwangsom was 'de stalking' waarvoor zijn ex aangifte heeft gedaan.

De agenten hebben grote druk op de vader uitgeoefend om een verklaring te ondertekenen om 'afstand te doen van zijn kinderen'. Pas als hij de verklaring zou ondertekenen, zou hij weer worden vrijgelaten. Onder deze druk heeft hij getekend.

De vader is nog beduusd van de politie-verhoor methoden en probeerde inmiddels zo goed en zo kwaad als het gaat een stukje toe te voegen aan zijn weblog.

Uw verslaggever laat het hier even bij.
    Bert Kerkhof

Labels:

dinsdag 15 februari 2005

Strafbare onttrekking aan de ouderlijke macht

Wetboek van strafrecht artikel 279 en Grondwet artikel 1


Als vader de ouderlijke verantwoordelijkheid heeft, is het strafbaar voor iedereen, wanneer het samenzijn tussen kind en vader wordt verhinderd. In zo'n geval mag je van justitie verwachten, dat ze de cimineel (of criminelen) straffen. Hierover bestaat voldoende jurisprudentie.

De hoge Raad heeft uitspraak gedaan: De onttrekking van kind of kinderen aan de ouderlijke macht is strafbaar, zelfs indien beide ouders het wettelijke gezag over de kinderen hebben. Weliswaar gaat de uitspraak om de onttrekking van een dochter aan het ouderlijk gezag van moeder. Maar volgens Grondwet artikel 1 (verbod op discriminatie) geldt het ook indien een zoon onttrokken wordt aan de ouderlijke verantwoordelijkheid van vader.

In haar arrest (uitspraak) van 15 februari 2005 heeft de hoge Raad aangegeven dat er ook sprake is van onttrekking aan het wettig gezag als beide ouders de ouderlijke verantwoordelijkheid delen en er sprake is van een al dan niet voorlopige regeling van omgang. Tot die tijd konden politie en justitie niet met zekerheid vaststellen of van strafbare onttrekking sprake is. Kennelijk ligt het eenvoudiger wanneer één ouder de ouderlijke verantwoordelijkheid heeft.

Dit arrest heeft verregaande consequenties voor de opsporing en vervolging van een ieder, die hun kind niet terug laten gaan naar de ouder die met de ouderlijke verantwoordelijkheid is belast.

Indien een kind niet wordt teruggebracht na een bezoek in het kader van de omgangsregeling, pleegt de moeder die het kind heeft ontvoerd of achtergehouden, een strafbaar feit. Dit is omschreven in Wetboek van strafrecht artikel 279. Afhankelijk van de leeftijd van het achtergehouden of ontvoerde kind staat daar een gevangenisstraf op van ten hoogste negen jaar.

Het gevolg hiervan is dat de vader bij het ontvoeren of niet terugbrengen van het kind (dus ook als het gezag gedeeld wordt) hiervan onmiddellijk aangifte kan doen bij de politie. Dit is van belang als de kans bestaat dat het kind zal worden meegenomen naar het buitenland. In overleg met een Officier van justitie kan de politie dan ook onmiddellijk overgaan tot het doen van een nationaal en internationaal verzoek om de opsporing en aanhouding van de moeder.

Wist u dat Kind in de knel van mening is:

  • Dat elke vrouw die een kind niet terugbrengt na een bezoek in het kader van een omgangsregeling, of het kind achterhoudt of ontvoert, een strafbaar feit pleegt?

Maar wist u ook dat:

  • De wetgever hierover duidelijker moet zijn in Wetboek van strafrecht artikel 279?

En wist u dat kind in de knel van mening is:

  • Dat het samenzijn tussen vader en kind kan worden afgedwongen indien een rechter het kind heeft geplaatst in een inrichting. Mits er geen zwaarwegend belang is vader omgang te weigeren?

Uitleg van Wetboek van strafrecht artikel 279:

  1. Zij die opzettelijk een minderjarige onttrekt aan de ouderlijke verantwoordelijkheid of aan degene die mede de vaderlijke verantwoordelijkheid draagt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of een geldboete van de vierde categorie.
  2. Gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd indien:
    • zij of een derde list bezigde, óf
    • zij pleger of aanzetter is van geweld, óf
    • zij dreigt of betrekt dreigende derden, óf
    • de minderjarige is minder dan twaalf jaren oud.

U ziet dat het belang van vader speciaal voor jonge kinderen bij de strafmaat meeweegt, echter voor twaalf jaar en ouder is hij nog weer belangrijker. De leeftijd van het kind is makkelijk te bewijzen. De bepalingen van Wetboek van strafrecht 279 gelden te meer als de vrouw of een instelling het kind onttrekken aan vaders ouderlijke verantwoordelijkheid die met de ratificatie van het europees verdrag voor de rechten van de man (EVRM) ondubbelzinnig is vastgelegd. Dit vereenvoudigt de bewijslast.

Uitleg van Grondwet artikel 1

Allen die zich in nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens vader zijn, duurzame opvatting, ras, maatschappelijke positie, politieke of geestelijke overtuiging of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Hoge Raad ar8250

De uitspraak over straf voor onttrekking van kind of kinderen aan de ouderlijke macht is ook te vinden op www.rechtspraak.nl:

 
LJN: Hoge Raad, Ar8250, 01198/04  
Datum uitspraak: 15-02-2005
Datum publicatie: 15-02-2005
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Cassatie
Inhoudsindicatie:
Aan gezag en opzicht onttrekken ex art. 279 Sr. Degene die (mede)
het gezag over een minderjarig kind uitoefent kan dit kind
desondanks aan het gezag en/of het opzicht van een ander
onttrekken, bijvoorbeeld door zich niet te houden aan een bij
rechterlijke beslissing vastgestelde (voorlopige) omgangsregeling.
 
Uitspraak
15 februari 2005
Strafkamer
nr. 01198/04
AGJ/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te
Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 7 november 2003,
nummer 21/001763-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis
van de Politierechter in de Rechtbank te Utrecht van 25 november
2002 - de verdachte ter zake van "onttrekking van een
minderjarige aan het wettig gezag/bevoegd opzicht" veroordeeld
tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van
dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis, voorwaardelijk
met een proeftijd van twee jaren.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft
mr. T.C. ten Rouwelaar, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur
middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit
arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de
Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
Bij de Hoge Raad is binnengekomen een brief van de raadsman met
daaraan gehecht een brief van de verdachte.

3. Beoordeling van het eerste en het tweede middel

3.1. In de middelen wordt onder meer geklaagd dat het Hof ten
onrechte bewezen heeft verklaard dat de verdachte het kind aan
het ouderlijk gezag of aan het opzicht van de moeder heeft
onttrokken in de zin van art. 279 Sr.

3.2. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof
gehechte pleitnotities houden in dat namens de verdachte het
verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het
Openbaar Ministerie in de vervolging dan wel tot vrijspraak,
is gevoerd, waartoe is gesteld dat de verdachte zich niet
schuldig heeft gemaakt aan overtreding van art. 279 Strafrecht,
omdat de verdachte samen met de moeder het gezag over het
minderjarige kind uitoefende.

3.3. Het Hof heeft onder het kopje 'Verweer betreffende de
ontvankelijkheid van het openbaar ministerie' in de bestreden
uitspraak als volgt overwogen en beslist:
"Anders dan de raadsman stelt is het hof van oordeel dat een
ouder die formeel nog wel het gezag heeft over zijn minderjarig
kind dat kind aan het ouderlijke gezag/opzicht van de andere
ouder kan onttrekken. Verdachte heeft zijn dochter niet
teruggebracht naar haar moeder nadat de omgangsregeling ten
einde was gekomen. Het verweer wordt dan ook verworpen."

3.4. Voorzover in de middelen het standpunt wordt ingenomen dat
de verdachte het kind niet aan het gezag en het opzicht van de
moeder kan onttrekken in de zin van art. 279 Sr, omdat ook de
verdachte het gezag over het kind had, wordt miskend dat degene
die (mede) het gezag over een minderjarig kind uitoefent, dit
kind desondanks aan het gezag en/of het opzicht van een ander
kan onttrekken bijvoorbeeld door zich niet te houden aan een bij
rechterlijke beslissing vastgestelde (voorlopige)
omgangsregeling. 's Hofs onder 3.3 weergegeven oordeel getuigt
derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting.

3.5. De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit
behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de
klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het
belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het derde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien
art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot
beantwoording van rechtsvragen in het belang van de
rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de
Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden
uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het
beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt
als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en
A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend-griffier
J.D.M. Hart, en uitgesproken op 15 februari 2005.
 
Conclusie
Nr. 01198/04
Mr Machielse
Zitting 21 december 2004

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdend te Arnhem,
heeft de verdachte bij arrest van 7 november 2003 ter zake van
"onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag/bevoegd
opzicht" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een
werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen
hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

2. Namens verdachte heeft mr T.C. ten Rouwelaar, advocaat te
Amsterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

3.1 Het eerste middel bestrijdt, blijkens de toelichting daarop,
het bewezenverklaarde opzet. Ten laste van verdachte is
bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 17 mei 2001 tot en met 8 juni 2001 te
Bilthoven en/of IJsselstein, in elk geval in Nederland,
opzettelijk een minderjarige, te weten [betrokkene 1] (geboren
op [geboortedatum] 1999) heeft onttrokken aan het wettig gezag
over hem/haar gesteld of aan het opzicht van degene die dit
desbevoegd over hem/haar uitoefent, terwijl die minderjarige ten
tijde van het plegen van dit feit beneden de twaalf jaar oud is,
immers heeft verdachte toen daar:
- zijn dochter [betrokkene 1] in het kader van een
omgangsregeling opgehaald bij de moeder en vervolgens die
[betrokkene 1] niet teruggebracht op de afgesproken tijd en die
[betrokkene 1] gebracht naar een voor de moeder onbekende plaats"

Het middel wijst op een vonnis in kort geding van de rechtbank
te Utrecht van 18 mei 2001, waarin is bepaald dat de dochter
haar hoofdverblijf heeft bij haar moeder. Aangevoerd wordt dat
verdachte op het moment dat hij zijn dochter meenam van de
inhoud van dit vonnis niet op de hoogte was. Pas na zijn
aanhouding is hij daarmee bekend geworden.

3.2 Uit de bewijsmiddelen blijkt dat tussen verdachte en de
moeder van [betrokkene 1] sinds 25 november 2000 een
omgangsregeling van kracht was. Deze hield in dat verdachte
eenmaal per veertien dagen van zaterdag 11.00 uur tot zondag
17.00 uur en op de daarop volgende donderdag van 12.00 uur tot
17.00 uur recht had op omgang met zijn dochter. Deze
omgangsregeling is neergelegd in een tot de stukken van het
geding behorende tussenbeschikking van de rechtbank te Utrecht
van 24 oktober 2000. Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat
de moeder van [betrokkene 1], [betrokkene 2], aangifte heeft
gedaan nadat verdachte [betrokkene 1] op donderdag 17 mei 2000
had opgehaald en hij haar op vrijdag 18 mei 2001 om 18.08 uur
nog niet had teruggebracht. Op dezelfde vrijdag heeft
[betrokkene 2] verdachte in kort geding gedagvaard. De
president van de rechtbank heeft in zijn beslissing van 18 mei
2001 op de vordering van [betrokkene 2] bepaald dat het
hoofdverblijf van [betrokkene 1] bij haar moeder zal zijn en
verdachte bevolen het kind binnen een uur na de betekening van
het vonnis aan de moeder af te geven. Deze en de overige
beslissingen van de president van de rechtbank heeft het hof
aan het bewijs laten bijdragen, evenals de mededeling dat het
vonnis op 18 mei 2001 om 18.35 uur aan verdachte is betekend
door dit achter te laten in zijn woning. Op 19 mei 2001 heeft
verdachte de politie gebeld. Hij is toen gewezen op de sinds
25 november 2000 van kracht zijnde omgangsregeling en op het
vonnis van 18 mei 2001, met name op het bevel om [betrokkene 1]
terstond terug te brengen naar haar moeder. Verdachte heeft
toen gezegd dat hij het kind bewust niet had teruggebracht en
dat hij niet zou voldoen aan het bevel (bewijsmiddel 1).
Bewijsmiddel 3 bevat de verklaring van verdachte dat hij zijn
dochtertje van 17 mei 2001 tot en met 8 juni 2001 bij zich had
en dat hij haar niet op tijd bij de moeder heeft teruggebracht.

3.3 Voor een goed begrip van de zaak schets ik enige
achtergrond. Verdachte en [betrokkene 2] waren niet getrouwd
toen hun dochter [betrokkene 1] op [geboortedatum] 1999 werd
geboren. Verdachte heeft het kind erkend. Hij en de moeder zijn
sinds de geboorte, dus ook ten tijde van het bewezenverklaarde,
gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. Niet lang na de
geboorte zijn verdachte en [betrokkene 2] uit elkaar gegaan.
Zij zijn eerst in onderling overleg en medio februari 2001 door
tussenkomst van hun advocaten een voorlopige bezoekregeling
voor hun kind overeengekomen. Deze hield in dat [betrokkene 1]
bij haar moeder zou verblijven en dat verdachte haar een dag
en een middag per week zou krijgen (bewijsmiddel 2). Op
29 maart 2000 heeft [betrokkene 2] bij de rechtbank een verzoek
ingediend dat strekte tot toewijzing van het ouderlijk gezag
aan haar en tot vaststelling van een omgangsregeling tussen de
vader en [betrokkene 1]. Verdachte heeft zich hiertegen
verweerd en op zijn beurt verzocht om toewijzing van het
ouderlijk gezag aan hem en om vaststelling van een
omgangsregeling tussen moeder en dochter. Bij tussenbeschikking
van 24 oktober 2000 heeft de rechtbank overwogen dat het een
omgangsregeling tussen vader en dochter in haar belang achtte
en beslist dat verdachte met ingang van 25 november 2000 op de
hier boven vermelde tijdstippen recht heeft op omgang met zijn
dochter. Bij beslissing van 24 juli 2002 zijn de verzoeken van
[betrokkene 2] en verdachte om exclusieve toewijzing van het
ouderlijk gezag afgewezen. Ten tijde van de bestreden uitspraak
was nog geen definitieve omgangsregeling tot stand gekomen.

3.4 De klacht dat verdachte niet opzettelijk heeft gehandeld
omdat hij onbekend was met het vonnis van 18 mei 2001 is,
bezien in het licht van de bewezenverklaring, irrelevant.
De tenlastelegging en bewezenverklaring houden immers in dat
verdachte zijn dochter in strijd met de omgangsregeling niet
heeft teruggebracht. Die omgangsregeling bestond al in 2000,
dus ruim voor het kort gedingvonnis van 18 mei 2001. Overigens
faalt de klacht ook, omdat deze een feitelijke vaststelling
van het hof bestrijdt. Het hof heeft immers vastgesteld dat,
na de rechtsgeldige betekening van het kort gedingvonnis aan
verdachte, de in dit vonnis neergelegde beslissingen op
19 mei 2001 telefonisch aan verdachte zijn meegedeeld en dat
hij zijn dochter toen niet heeft teruggebracht. Voor
bestrijding van die vaststelling op feitelijke gronden is in
cassatie geen ruimte. Voor zover het middel erover bedoelt te
klagen dat verdachte op 17 mei 2001 niet wist dat het
hoofdverblijf van zijn dochter bij haar moeder was faalt het
eveneens. Het hof heeft uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden
dat verdachte met de omgangsregeling van 24 oktober 2000 bekend
was. Voor de beantwoording van de vraag of de omgangsregeling
inderdaad inhield dat het hoofdverblijf van het kind bij de
moeder was, zie onder 4.3.

4.1 Het eerste en het tweede middel voeren verder beide aan dat
in de gegeven omstandigheden geen sprake is van onttrekking
aan het wettig gezag of aan het opzicht van de degene die dit
desbevoegd uitoefende. Dit verweer is ook voor het hof gevoerd
en strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar
ministerie dan wel tot vrijspraak. Het hof heeft in respons op
het niet-ontvankelijkheidsverweer overwogen:

"Anders dan de raadsman stelt is het hof van oordeel dat een
ouder die formeel nog wel het gezag heeft over zijn
minderjarige kind dat kind aan het ouderlijk gezag/opzicht van
de andere ouder kan onttrekken. Verdachte heeft zijn dochter
niet teruggebracht naar haar moeder nadat de omgangsregeling
ten einde was gekomen. Het verweer wordt dan ook verworpen."

De klacht dat het hof bij de vorming van dit oordeel ervan zou
zijn uitgegaan dat ten tijde van het bewezenverklaarde alleen
de moeder belast was met het ouderlijk gezag over
[betrokkene 1] faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.

4.2 In de rechtspraak zijn situaties als deze eerder aan de
orde geweest. In HR NJ 1970, 266 ging het om een echtpaar dat
in scheiding lag. Bij beschikking van de president van de
rechtbank was beslist dat hangende het echtscheidingsgeding
de kinderen bij de moeder zouden verblijven. De Hoge Raad
oordeelde dat, ook al leidt een dergelijke voorziening niet
tot opheffing van de ouderlijke macht, deze tot gevolg heeft
dat de kinderen in ieder geval worden gesteld onder het opzicht,
in de zin van art. 279 lid 1 Sr, van de ouder aan wie zij
voorlopig zijn toegewezen.(1) Iets vergelijkbaars speelde in de
arresten HR NJ 1991, 9 en HR NJ 1991, 824. In beide zaken
waren de onttrokken kinderen in afwachting van de uitkomst van
de echtscheidingsprocedure aan de moeder toevertrouwd. Het
zonder haar toestemming wegnemen van de kinderen leverde een
onttrekking aan het wettig gezag en het bevoegdelijk
uitgeoefende opzicht op. De in het middel bedoelde uitspraken
NJ 1950, 833 en 834 werpen geen ander licht op de zaak, alleen
al omdat deze uitspraken een niet goed vergelijkbaar
feitencomplex betroffen, de uitspraken van eerder datum zijn
en deze niet zijn gedaan door de Hoge Raad, zoals het middel
veronderstelt, maar door respectievelijk de Krijgsraad voor de
zeemacht en het Hoog Militair Gerechtshof.

4.3 In dit geval ligt het in zoverre anders dat hier niet
sprake is van een exclusieve toewijzing van het kind aan de
moeder. Bij haar tussenbeschikking van 24 oktober 2000 heeft
de rechtbank immers, in afwachting van een definitieve
beslissing, bepaald dat verdachte een beperkt omgangsrecht met
het kind heeft. Anders dan de klacht lijkt te veronderstellen
is in het vonnis van 18 mei 2001 in deze omgangsregeling geen
wijziging aangebracht doordat daarin is beslist dat
[betrokkene 1]'s hoofdverblijf bij haar moeder was. Zoals uit
de bewijsmiddelen blijkt was dit de feitelijke situatie sinds
verdachte en [betrokkene 2] uit elkaar waren. Dit lag ook al
in de omgangsregeling van 24 oktober 2000 besloten. Daarvan is
ook de president van de rechtbank uitgegaan blijkens
overweging 3.5 van zijn vonnis, dat voor zover van belang
luidt:

"Op grond van deze feiten en omstandigheden moet het, mede
gezien de leeftijd van [betrokkene 1], in haar belang worden
geacht dat zij haar hoofdverblijf bij de moeder heeft totdat
in de onder 3.3 bedoelde procedure over de gezagsvoorziening
zal zijn beslist. Bij dit oordeel is mede van belang dat de
rechtbank dat in die procedure klaarblijkelijk ook heeft
bedoeld, gezien de regeling die voor de omgang tussen de vader
en [betrokkene 1] is vastgesteld in de genoemde
tussenbeschikking van 24 oktober 2000 ()."

Het vonnis houdt wel een andere wijziging in ten opzichte van
de omgangsregeling van 24 oktober 2000. Namelijk dat het
verdachte verboden was het kind zonder schriftelijke
toestemming van de moeder mee te nemen. Ook deze beslissing
is op 19 mei 2001 telefonisch aan verdachte meegedeeld
(bewijsmiddel 1).

4.4 Of het kind nou wordt onttrokken terwijl het exclusief aan
een ouder is toevertrouwd of door zich niet te houden aan een
bij rechterlijke beslissing vastgestelde omgangsregeling
levert in mijn ogen geen relevant verschil op. Zowel het
wettig gezag als het opzicht berustten ten tijde van het
bewezenverklaarde bij de moeder krachtens de omgangsregeling
van 24 oktober 2000. Verdachte heeft het kind aan dat gezag
en opzicht onttrokken door haar op donderdag 17 mei 2001 niet
op het overeengekomen tijdstip terug te brengen. Hij heeft
die situatie tot 8 juni 2001 laten voortbestaan ook nadat
hem de inhoud van het vonnis van 18 mei 2001 was meegedeeld.
Het oordeel van het hof dat verdachte in de bewezenverklaarde
periode het kind aan het wettig gezag en het opzicht van
de moeder heeft onttrokken geeft naar mijn mening geen blijk
van een onjuiste rechtsopvatting. De klachten falen voor
zover deze uitgaan van een andere opvatting.

4.5 De klacht dat het hof heeft aangenomen dat was aangevoerd
dat dit verweer tot ontslag van rechtsvervolging zou moeten
leiden, berust op een onjuiste lezing van de bestreden
uitspraak. Ook deze klacht faalt dus.

4.6 Het tweede middel bestrijdt verder de verwerping door
het hof van een beroep op overmacht. Het hof heeft dit
verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De verdediging heeft aangevoerd dat er een noodsituatie was
ontstaan omdat verdachtes dochtertje door haar moeder, die
het wettig gezag over haar uitoefende, niet goed zou worden
verzorgd.

Het hof is van oordeel dat het gevoerde verweer dient te worden
verworpen. Het hof overweegt hierbij dat er geen omstandigheden
aannemelijk zijn geworden die het acuut handelen van verdachte
rechtvaardigden en dat voorts niet is gebleken dat - indien er
al sprake zou zijn geweest van een noodsituatie - er voor
verdachte geen andere mogelijkheid open stond, nu hij zich had
kunnen wenden tot een bevoegde instantie, zoals de Raad voor
Kinderbescherming, de politie of de officier van justitie, in
geval van een noodtoestand."

De klacht is dat het hof geen acht heeft geslagen op ter
ondersteuning van dit verweer overgelegde bewijsstukken. Deze
klacht faalt. Het hof heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is
geworden dat [betrokkene 1] slecht werd verzorgd door haar
moeder. Dat is een oordeel van feitelijke aard dat in cassatie
slechts beperkt kan worden getoetst. De waardering van het door
de verdediging overgelegde bewijsmateriaal is aan het hof
voorbehouden. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van
24 oktober 2003 blijkt verder dat het hof de korte inhoud van
de stukken van eerste aanleg en van de nadien aan het dossier
toegevoegde stukken heeft voorgehouden, waaronder de brieven
van verdachte van 22 september 2003 en 17 oktober 2003 met
bijlagen. Het moet er dus voor worden gehouden dat door het
hof ook op de door het middel bedoelde stukken acht is
geslagen. Dit geldt temeer nu het middel niet vermeldt welke
bewijsstukken het hof zou hebben gemist.
Ook de klacht dat het hof er geen rekening mee heeft gehouden
dat verdachte geen vertrouwen had in de Raad voor de
Kinderbescherming faalt, reeds omdat niet blijkt dat die
stelling voor het hof is ingenomen.

5.1 Het derde middel betreft de afwijzing door het hof van een
verzoek om getuigen te horen. In de bestreden uitspraak heeft
het hof overwogen dat de verdediging subsidiair heeft verzocht
het onderzoek aan te houden om enkele getuigen te horen. Het
hof heeft dit verzoek afgewezen omdat het zich voldoende
voorgelicht achtte, zodat van een noodzaak tot het horen van
die getuigen niet was gebleken.

5.2 Noch uit het proces-verbaal van de zitting van
24 oktober 2003, noch uit de daaraan gehechte pleitnota noch
uit enig ander stuk in het procesdossier blijkt dat door de
verdediging aan het hof is verzocht om getuigen te horen. Dat
betekent dat hetzij het hof door een vergissing de in het
middel aangevochten beslissing in zijn uitspraak heeft
opgenomen hetzij het verzoek wel is gedaan maar dit niet in
het proces-verbaal is opgenomen.

5.3 Ik meen dat dit in het midden kan blijven. Volgens het
middel betrof het ter zitting gedane verzoek getuigen van wie
eerder verklaringen aan het hof werden toegezonden. Ik neem
aan dat hiermee wordt gedoeld op de brief van 5 september 2003
van de raadsman van verdachte. Het middel voert als klacht aan
dat het hof het getuigenverhoor niet heeft toegestaan en dat
het derhalve van belang is dat de getuigen alsnog worden
gehoord. Die klacht kan, ook als ervan wordt uitgegaan dat
het verzoek wel is gedaan, in ieder geval niet slagen. Het valt
niet in te zien dat uit de afwijzing van het verzoek volgt dat
verdachte een belang had bij toewijzing van het verzoek. Laat
staan dat die opmerking iets afdoet aan de begrijpelijkheid
van 's hofs oordeel dat de noodzaak tot het horen van de
getuigen in zijn ogen niet bestond. Het middel geeft eigenlijk
alleen maar aan dat verdachte het niet eens is met de
beslissing van het hof, maar betwist niet dat het hof het
juiste criterium heeft gehanteerd en geeft evenmin aan waarom
de beslissing van het hof onbegrijpelijk zou zijn.

5.4 Tot slot bevat het middel de klacht dat het hof geen acht
heeft geslagen op een aantal door verdachte aan het hof ter
beschikking gestelde stukken. Ook deze klacht faalt, reeds
omdat het middel niet verduidelijkt op welke stukken het doelt.

6. De middelen zijn tevergeefs voorgesteld en kunnen, met
uitzondering van de in 4.1 tot en met 4.4 besproken klachten,
met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen.
Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn
bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen
heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Zie ook NLR, aant. 2 bij art. 279.

Labels: ,

maandag 7 februari 2005

EénVandaag over handhaving omgangsregeling

Een gescheiden man weet na vier jaar juridische strijd eindelijk een omgangsregeling voor zijn kinderen af te dwingen. Op een gegeven moment besluit zijn ex-vrouw de kinderen niet mee mee te geven. Tot wie kan vader zich dan wenden?

In de uitzending:

  • Vader Bas van 't Hoff
  • Ruud Luchtenveld is indiener van het initiatief wetsontwerp over scheiden zonder rechter en over de vormgeving van voortgezet ouderschap na scheiding. Hij is lid van de 2e kamer voor de VVD.
  • De advocaat van de vader, Jan Martijn Wigman, vindt het wetsvoorstel van Luchtenveld nog lang niet ver genoeg gaan. Een rechter kan een straf opleggen, maar doet dat nooit. Wigman vindt dat deze zaken in de toekomst in het strafrecht behandeld moeten worden. “Een goede mogelijkheid zou zijn het opnemen in het strafrecht en het niet meewerken aan een omgangsregeling strafbaar te stellen. Daarmee geef je een duidelijk signaal af aan mensen die niet mee werken. Die weten wat de sancties zullen zijn. En het openbaar ministerie moet vervolgens zorgen voor handhaving. Ik denk dat dit de problemen grotendeels zal oplossen”.

Jaap Jongbloed heeft een gesprek met één van de laatste politieke activisten voor het alleenstaand moederschap, tevens vice president van de rechtbank te Utrecht, Nanneke Quik-Schuijt. In haar fundamentelistische opvatting is een klein kind voor 100 procent aangewezen op de moeder en niet op de vader. Zij is voorzitter bij de raad voor de kinderbescherming, heeft bestuursfuncties bij de vereniging advocaten scheidingsbemiddelaars en bij de vereniging voor vrijgevestigde psychotherapeuten. In september 2001 maakte ze deel uit van een schaduwkabinet van de socialistische partij. Ook heeft ze een nevenfunctie bij een mediatie cursus van een instituut voor psychologen.

In het huidige rechtsproces moet de vader steeds het initiatief nemen om een dwarse moeder tot naleving van afspraken en regels te brengen. In de ogen van de moeder is híj dan de kwade pier. Dat vormt een bron voor ruzie en conflicten tussen de ouders, waarmee de kinderen te maken kunnen krijgen. Beter is wanneer de familie van de vader of het meldpunt kindermishandeling het op zich neemt de ex aan te spreken. Dan kan de vader een vriendelijke rol naar de ex blijven houden.

Wat kan justitie zelf doen om voor de naleving van de eigen rechterlijke uitspraken zorg te dragen? Dat zou vaders ontlasten en dat is wat nodig is. Kan tegelijk met het doen van de uitspraak een boete bij niet naleving worden opgelegd? In elk geval gebeurt het nu te weinig. Een introspectie binnen de rechterlijke- en wetgevende macht is op zijn plaats.

Daarbij is het een goed signaal als het parlement omgangsweigering in het strafrecht brengt. Daarmee geeft zij de handhaving in handen van het openbaar ministerie. België en Frankrijk zijn ons land daarin voor. Eerder bij verkeershandhaving in Nederland zijn bekeuringen met een beroepsmogelijkheid en justitiële incasso uitvoerbaar en effectief gebleken. Het maakte een eind aan jarenlang geharrewar en gepolitiseer binnen justitie over gedogen en strafmaat voor de verschillende typen verkeersovertreders. Maar waar het om gaat is dat duidelijkheid, systematiek en lik op stuk een jarenlang ruziën over naleving tussen gescheiden ouders voorkomt. Dat is nodig voor kinderen en hún belang.


Commentaar van Ghislain Duchâteau (coördinator van het Belgische samenwerkingsverband van Ouder- en belangenverenigingen bij scheiding):

Het was een uitstekende TROS-uitzending. Het authenticiteitsgehalte lag zeer hoog. In zijn volle omvang werd de vader-ellende van Bas van 't Hof en de uitzichtloosheid van zijn situatie naar zijn kind toe geschetst.

Hoe is die situatie toch zo gegroeid in nederland? Frustratie van omgang is er geen misdrijf. Het komt ons onvoorstelbaar voor dat rechters het belang van het kind inroepen om vaders de toegang tot hun bloedeigen kind te weigeren.

Duchâteau Ghislain Duchâteau

Peter Tromp legt de vinger op de wonde, toont heel duidelijk de verkeerde ingesteldheid van de rechter aan als hij met betrekking tot het gesprek met familierechter Quik-Schuijt schrijft:

“De uitzending heeft met name in het interview met Quik-Schuijt goed blootgelegd, waar het probleem nu al 30 jaar ligt, namelijk de onwil en discriminatie van de rechterlijke macht naar vaders en kinderen. Vaders worden niet belangrijk voor hun kinderen gedacht, alleen moeders zijn belangrijk. Dus doet men gewoon niets anders als roepen dat het ze zo ter harte gaat, alleen lippendienst.”

  • Het ware belang van het kind ligt in het duurzaam contact met elk van zijn beide ouders na scheiding. Dat de nederlandse rechters dat dan toch eens eindelijk gaan inzien! De nederlandse politieke overheid moet zoals in België zich eens ernstig en diepgaand bezinnen om de ouderproblematiek bij scheiding effectief aan te pakken en op die manier de eindeloze drama's zoals in de uitzending doen voorkomen. Alleen dan zal in nederland een humanisering van het familieleven tot stand komen.

    Bert Kerkhof

Noot: Jan Marijnissen van de socialistische partij heeft de redactie van Kindindeknel op zaterdag 26 februari laten weten dat “de in het burgerlijk wetboek vastgelegde regeling voor de SP niet voldoet, vooral als één van de beide partners er op uit is het omgangsrecht te saboteren. Daarom vind hij het wetsvoorstel van de heer Luchtenveld (VVD) een goed voorstel en de SP heeft dit gesteund in de tweede kamer.”

Ruud Luchtenveld is loco-burgemeester van Amersfoort, wethouder ruimtelijke ordening, wonen en verkeer en heeft nevenfuncties als voorzitter van de monumentencommissie en van de stichting koninkrijkssamenwerking. Linda van Dort werkte eerder voor het TROS consumentenprogramma Radar, als freelancer voor Hart van Nederland en SBS6 Actienieuws. In 1996 won ze de CNN Award voor haar milieu reportage.

Labels: ,

maandag 17 januari 2005

Televisie discussie over zorgplicht van beide ouders

Vanavond was een discussie in Vara's Barend en Witteman over het recht van kinderen om na een scheiding beide ouders in hun leven te houden. Aanleiding voor de uitzending was het optreden van Andy Work, die verkleed als Batman op de gevel van het gerechtsgebouw van Utrecht klom. In de uitzending werd gesproken over de voorgenomen plannen van minister Donner om getrouwde ouders te verplichten een zorgplan voor de kinderen op te stellen, voorafgaand aan een scheiding.

Waarom zegt de rechtbank zo vaak néé tegen het vaderschap na echtscheiding, wilde presentatrice Inge Diepman weten. Volgens pedagoog en ervaringsdeskundige Joep Zander is het belangrijkste dat men denkt dat als er communicatieproblemen zijn tussen de ouders, dat het kind er dan niet bij gebaat is als het beide ouders ziet. Terwijl volgens Zander eigenlijk de communicatieproblemen in stand worden gehouden door het recht niet toe te zeggen. Als niemand het recht heeft, dan groeit het wederzijds wantrouwen. Je weet dan niet waar je aan toe bent. Er is dan een heel groot risico op nog meer strijd. Die strijd komt er. Dan zeggen ze: Er is strijd, dus je mag je kinderen niet zien. Dus de rechtsgang bevordert de wanverhouding tussen beide ouders, aldus Zander.

Ook wanneer de vader heel behoedzaam is, eigenlijk geen strijd wil voeren, dan volgt er toch strijd als de andere partij iets meer strijd levert. Het huidige rechtssysteem, hoe het in de praktijk wordt uitgevoerd, bevordert dat mensen daarover op de vuist gaan. Omdat er geen recht is gewoon. Volgens Zander is er geen recht op geen enkele manier binnen het familierecht.

opvoeden kinderen ouders

Wetgeving

Er was discussie over waaraan dat nu ligt. Ligt het aan de wetgeving? Ouders die gezamenlijk gezag hebben, dragen volgens de wet beiden evenveel verantwoordelijkheid voor de opvoeding van de kinderen. Helaas werd in de uitzending voorbijgegaan aan aanzienlijk grote groepen ouders die niet trouwen maar samenwonen. Nu zijn er wel europese regels over de gelijke behandeling van samenwonenden en gehuwden. Ook volgens de verenigde naties hebben kinderen van ongehuwde ouders evenveel recht op beide ouders als kinderen van gehuwden. Toch zit er een lacune in de nederlandse wet. Het nederlands recht gaat er onterecht vanuit dat samenwonenden vrijwillig hebben afgezien van gezamenlijke opvoeding van kinderen en dat voor hen een gezamenlijk ouderschap niet nodig zou zijn. Een stiefmoederlijke behandeling van deze zaken in de arrondissementen is het gevolg.

Ook in het wetsvoorstel van Donner ontbreekt het aan een zorgplan voor samenwonende ongehuwde ouders. Het is jammer dat prominente vaders zoals Joep Zander en Andy Work, die hiermee de nodige eraring hebben, dit niet in de uitzending aan de orde stelden. Het is geen schande om ongehuwd samenwonend te zijn geweest. Er is geen reden aan te nemen dat ongehuwde ouders tijdens hun samenwonen minder afspraken of verwachtingen over gezamenlijke zorg hebben. Ook al is dat vaak niet notarieel of bij de kantonrechter vastgelegd.

Rechtsgang

Maar ook aan de rechtsgang mankeert het. Slechts in één procent van de onderzoekingen van de kinderbescherming wordt omgang ontzegt. Maar in de 3000 overige gevallen per jaar die voor de rechter komen, wordt veelal zelfs een omgang uitgesproken die minder inhoudt dan een weekend in de veertien dagen. Bij ouders is daarover onrust, omdat dat niet genoeg is om voldoende voor de kinderen te kunnen zorgen. Met name voor jonge kinderen is het te weinig. Het zou goed zijn als rechters daarover eens een boek lezen, zo werd opgemerkt door maatschappelijk werker en mediator Pieter Vermeulen. Daarbij komt dat enige sanctionering van de rechterlijke uitspraken er niet is of niet werkt.

De aanwezigen vonden het een goed idee om gehuwde ouders te verplichten een zorgplan op te stellen. Nog voor ze gaan praten over een scheiding. Als dat verplicht wordt, wijs je de ouders op hun verantwoordelijkheid. En laat je ze ook inventariseren waar ze wel of niet uitkomen. Als moeder de zorg voor de kinderen niet met vader wil delen, moet je haar de kans geven dat iemand haar uitlegt wat dat betekent voor kinderen. Volgens mediator en advocate Sabine van Gestel lukt het om dat duidelijk te maken. Zelf kan zij uitleggen hoe een kind beknelt kan raken als de vader wordt weggehouden. Zij refereerde aan het werk van Joep Zander, het boek ‘Ouderverstoting’.

Pieter Vermeulen vindt dat bij een zorgplan meer informatie moet worden gegeven over wat goed en niet goed is voor een kind. Als de ouders dat niet weten, dan kom je er niet uit. Volgens Pieter ontbreekt dat in Nederland. Hij stelt voor dat er voorlichtingscentra komen die informatie geven over wat belangrijk is voor een kind van 3 of van 2 of van 1 jaar.

Handhaving

Wat nu als de ouders zich niet houden aan het afgesproken zorgplan? Sabine van Gestel vind dat als de moeder eraan blijft vasthouden alleen voor de kinderen te zorgen, er wat haar betreft ‘de botte bijl in kan’. Dan pleit zij voor toekenning van het gezag eenzijdig aan de vader. Ook zij vind een weekend per twee weken te weinig. Wel is ze van mening dat een regeling waarbij de ene week de kinderen bij de moeder verblijven en de andere week bij de vader, dat dat niet in het belang is van de kinderen. Ze pleit kortom voor een ander arrangement met een wekelijkse regelmaat. Joep Zander gaf informatie over de handhaving in België, waar het openbaar ministerie weigerachtige moeders dwingt met hulp van de politie. Het streven in België is om op die voet verder te gaan.

Even ging het om de inzet van particuliere omgangsbegeleiding als de moeder niet aan omgang meewerkt. Momenteel wordt dit eenzijdig door de vader betaald, ook als de moeder de afspraken niet nakomt. In de discussie kreeg Andy Work dit niet over het voetlicht, omdat anderen er door heen gingen praten over alimentatie. Ook de financiering van mediation voor minvermogenden kwam niet aan bod in Vara’s BenW. Jammer, want zo komt de regeling van de zorg voor kinderen toch bij vechtadvocaten terecht, die wél middels de raden voor rechtsbijstand worden gesubsidieerd.

Bij elkaar was de uitzending een aardige discussie met een nieuwe beroepsgroep, de familie-mediatoren. Over betere rechtsbescherming en meer informatie over wat kinderen na een scheiding nodig hebben. Regelgeving voor het maken van zorgplannen en mediation voor gehuwden is nuttig. Toch zijn enkele kanttekeningen op zijn plaats:

Kanttekeningen

  1. Laten we kijken waar de zorg voor kinderen na scheiding het meeste risico loopt. Dat is daar waar tot nu toe de minste rechtsbescherming is, bij de kinderen van ongehuwd samenwonenden. We kunnen niet heen om de achtergrond van de vele kindermishandeling en de kindermoorden die na een scheiding gebeuren. Welke preventieve maatregelen zijn nodig om in die gevallen de gewenste gezamenlijke zorgplicht te bewerkstelligen? Om de ergste mistoestanden te voorkomen, is gelijkstelling van zorgplicht van ongehuwd samenwonenden met die van gehuwden een noodzaak.
  2. Bij verschillende nederlandse rechtbanken was een experiment met mediation. De ervaring is dat er een groep ouders bestaat waar overleg en/of het maken van afspraken niet mogelijk is. Die groep kwam niet in aanmerking om deel te nemen aan het experiment. Voor die gevallen heeft een wettelijke standaard regeling voor co-ouderschap meer belang dan het steeds weer opnieuw uitvinden van maatwerk zorgplannen voor elk stel afzonderlijk. Bij het maatwerk blijft de vraag of die plannen in de loop van een leven de tand des tijds kunnen doorstaan.
  3. Welke schriftelijke afspraken ook gemaakt worden, het is slechts papier wanneer bij een weigering om de zorg voor de kinderen te delen, geen zicht is op daadkrachtige empowerment van de verstoten ouder.

Bert Kerkhof


Labels:

vrijdag 17 december 2004

Rechter negeert vader rechten bij scheiding

Als rechters de belangen van vaders beter meewegen, zal dat leiden tot minder lichtvaardige scheidingen en minder ellende voor kinderen, meent Wim Orbons.

Het lijkt erop dat rechters (en veel advocaten) de wet niet kennen. Sinds 1998 loopt het ouderlijk gezag na scheiding van rechtswege door. De wet van 1998 stelt: gezag impliceert contact. Ontzegging van contact is onder strikte voorwaarden alleen mogelijk bij een ouder die geen gezag heeft (zoals vaders die voogdij hebben volgens de wet van vóór 1998).

Onwetmatigheden van rechters zijn er mede debet aan dat circa de helft van de scheidingskinderen geen of nauwelijks contact meer heeft met hun vader. Ook wanneer de rechter wel een contact-regeling uitspreekt, in het beste geval een weekend per twee weken, kan een ouder (meestal moeder) die uitspraak straffeloos naast zich neerleggen, met vaak stalking en geweld (steeds vaker met dodelijke afloop) als gevolg, waarvoor vaders wél bestraft worden. Delicten die door moeders worden uitgelokt.

Hanteren rechters een ongeschreven regel om gescheiden moeders te beschermen? Het lijkt er wel op. De tweedekamer laat zich gemakkelijk meeslepen door het romantische beeld van een volkomen integere rechterlijke macht. Heel Nederland mag graaien, maar er is gelukkig nog één macht die vlekkeloos toezicht houdt, zo wil men graag geloven. Dat bijvoorbeeld artsen fouten maken is geaccepteerd. Maar ze moeten wel openlijk voor hun fouten uitkomen. Rechters zijn daar kennelijk nog niet aan toe. Ze verschuilen zich achter de uniciteit van een zaak. Altijd zijn er bijzondere omstandigheden, geen enkele zaak is met elkaar te vergelijken, zeggen ze. Maar 'vechtscheidingen' hebben allemaal dezelfde rode draad. Niemand is onbevooroordeeld. Iedereen is gevormd door opvoeding, opleiding én wat ze hebben meegemaakt. Ook rechters zijn mensen, geen computers, maar ze moeten wel de wet toepassen die op het terrein van scheiding volstrekt duidelijk is: altijd contact tussen kind en beide ouders tenzij er bewezen feiten zijn van kindermishandeling.

In de uitspraak zouden rechters moeten opnemen dat de contact-regeling zo nodig met behulp van de 'sterke arm' in burgerkledij wordt uitgevoerd. Of dat bij weigering het gezag over de minderjarige zal worden ontnomen. De laatste dreiging of de kracht van de inzet van de 'sterke arm' zullen in de praktijk een preventieve werking hebben.

Rechters zwichten vaak voor moeders die in de slachtofferrol kruipen, en die na scheiding, meestal uit rancune, geen contact tussen het kind en de vader willen. Die situatie druist in tegen internationale verdragen, tegen de Nederlandse wet én tegen het belang van het kind. Veel rechters ontzeggen onrechtmatig het contact tussen vader en kind met als argument dat er 'rust' moet komen. Maar er komt geen rust, wel volgen nieuwe procedures, verdere escalatie en polarisatie omdat de wet niet wordt toegepast. En dat verbroken contact wordt maar zelden hersteld, van uitstel komt afstel.

Als je bijna zeker weet dat je de kinderen kunt behouden (en alimentatie en bijstand ontvangt), kun je je permitteren een scheiding aan te vragen. Dat verklaart waarom in 80 procent van de gevallen moeders het initiatief nemen om te gaan scheiden.

Als moeder niet de kinderen kan meenemen met uitsluiting van vader, zal zij ook minder lichtvaardig overgaan tot scheiding. Dat blijkt ook uit onderzoek in de Verenigde Staten. De wet van 1998, waarin ook het belang (en contact) van het kind ligt verankerd, wordt door rechters frequent niet toegepast. Is dat de reden voor VVD-er Luchtenveld om een initiatiefwetsvoorstel in te dienen: scheiden zonder rechter en co-ouderschap na scheiding tenzij ouders anders overeenkomen?

Het lijkt dat rechters scheidingen indirect stimuleren: moeder krijgt meestal alles wat ze vraagt. Daarom wordt zoveel door moeders gescheiden, terwijl deskundigen uitspreken dat scheiding voor kinderen hoofdtrauma nummer éen is. Uit onderzoek blijkt dat overspel, geweld, alcohol- of drugsgebruik een ondergeschikte rol spelen in de redenen om te scheiden. Ruim driekwart van de mensen die scheiden geven aan dat ze 'niet meer met elkaar kunnen communiceren' en minder dan éenderde van de gescheiden mensen zegt na scheiding gelukkiger te zijn geworden.

Van de kinderen die opgroeien met béide ouders beoordeelt bijna 80 procent hun eigen gezinssituatie als goed. Waarom dan toch zoveel scheidingen? Kinderen beoordelen het hebben van twee ouders ook beduidend hoger dan eenoudergezinnen (660.000 kinderen). Meer dan de helft van de kinderen ervaart de gezinssituatie met een stiefouder als slecht. Een kind dat in een stiefgezin opgroeit (meer dan 400.000 kinderen) loopt een veel grotere kans op mishandeling dan in een gezin met beide ouders.

Iedere dag zijn in Nederland circa 170 kinderen betrokken bij een scheiding. In verreweg de meeste gevallen willen kinderen géen scheiding. Scheidingskinderen leven korter, statistisch gezien. Kinderen van gescheiden ouders hebben een grotere kans op armoede, doen het slechter op school, hebben vaker psychische of psychiatrische klachten, lopen meer kans op gezondheidsproblemen, raken vaker aan de drank en drugs en belanden eerder in de criminaliteit.

 

De scheidingscultuur is ook een oorzaak van de toename van valse aangiften van mishandeling en incest en daardoor weer aangiften van valse aangiften. Rechters klagen over hun werkbelasting, terwijl zij dit zelf voor een deel veroorzaken. Ook prediken zij als juristen (evenals de moeders) het belang van het kind, maar handelen daar niet naar. Als rechters de wet hanteren, zal dat leiden tot minder lichtvaardige scheidingen, minder ellende voor kinderen, groot-ouders aan vaders kant en een enorme kostenbesparing voor de maatschappij. Therapeuten zullen dan snel hun huidige visie: 'denk aan jezelf in plaats van het kind', wijzigen in 'hoe los ik het probleempje op dat de ouders niet meer met elkaar kunnen communiceren'.

Aanbevolen artikelen:

  • Een nieuwe wet op het gelijkwaardig ouderschap trad op 1 maart 2009 in werking. Deze wet geeft vaders een betere kans om een rol in de opvoeding van zijn kinderen te blijven spelen: Wet Bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding
  • Ongehuwde vaders die geen gezagspapier hebben aangevraagd, zijn wettelijk gelijkgesteld aan een man die het gezag ontnomen is omdat zijn gedrag een bedreiging is voor zijn kind. Lees hierover meer in: Ongehuwde vaders vergeten gezag

Wim Orbons is voormalig directeur en secretaris van enkele gezondheidszorgorganisaties. Hij schreef mee aan het Manifest over ouderschap na scheiding.

Labels:

vrijdag 10 december 2004

Rechter overtreedt te vaak wet bij scheiding

Rechters beslissen vaak in strijd met de wet dat contact tussen het kind en de vader na scheiding wordt opgeschort of ontzegd. Het VVD tweedekamer lid Ruud Luchtenveld heeft nu een initiatiefwetsvoorstel ingediend met als hoofdelementen: scheiden zonder rechter en Co-ouderschap na scheiding, tenzij ouders anders overeenkomen.

Het lijkt erop dat rechters, en veel advocaten, de wet niet kennen. Sinds 1998 loopt het ouderlijk gezag na scheiding van rechtswege door. De wet van 1998 stelt: gezag impliceert contact. Ontzegging van contact is alleen onder strikte voorwaarden mogelijk bij een ouder die geen gezag heeft (zoals vaders die voogdij hebben volgens de wet van vóór 1998). Recent is dit nog eens bevestigd door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, dat nederland heeft veroordeeld omdat de Nederlandse rechter de eis van een vader met gezag om zijn dochter te bezoeken afwees.

Onwetmatigheden van rechters zijn er mede debet aan dat circa de helft van de scheidingskinderen geen of nauwelijks contact meer heeft met de vader. Ook wanneer de rechter wel een contactregeling uitspreekt, in het beste geval een weekend per twee weken, kan een ouder (meestal moeder) die uitspraak straffeloos naast zich neerleggen. Dit leidt vaak tot stalking en geweld (steeds vaker met dodelijke afloop), waarvoor vaders wel bestraft worden. Delicten die door moeders worden uitgelokt.

Hanteren rechters een ongeschreven regel om gescheiden moeders te beschermen? De cijfers zijn niet in hun voordeel. Om met NRC-columnist Bas Heijne (4 dec 2004) te spreken: “Waar komt dat onuitroeibare geloof in de vrouw als beter mens toch vandaan?” Het is net zo idioot als het geloof in de vrouw als minderwaardig wezen’. De meest geciteerde rechtspsycholoog in Europa, professor Hans Crombag, heeft niet voor niets al jaren geleden de vraag gesteld: “wie controleert de rechters?”.

Onafhankelijkheid

De sociaal wetenschapper Jan de Keijser toonde begin 2000 in zijn proefschrift aan dat rechters zelfs in volkomen identieke zaken tot sterk verschillende uitspraken komen. Premier Balkenende zei daarover: “De discussie over fouten in de rechtspraak en over integriteit is uiterst gevoelig, maar moet wel worden gevoerd. Nu al verschijnen artikelen over onrechtmatige rechtspraak”.

Maar de tweedekamer laat zich gemakkelijk meeslepen met het romantische beeld van een volkomen integere rechterlijke macht. Heel nederland mag graaien, maar er is gelukkig nog éen macht die vlekkeloos toezicht houdt, zo wil men graag geloven. Dat artsen fouten maken, is geaccepteerd. Maar ze moeten wel openlijk voor hun fouten uitkomen. Rechters zijn daar kennelijk nog niet aan toe. Ze verschuilen zich achter de uniciteit van een zaak. Altijd zijn er bijzondere omstandigheden, geen enkele zaak is met elkaar te vergelijken, zeggen ze. Maar ‘vechtscheidingen’ hebben allemaal dezelfde rode draad. En niemand is onbevooroordeeld. Ook rechters zijn mensen en geen computers. Maar ze moeten wel de wet toepassen die op het terrein van scheiding volstrekt duidelijk is: altijd contact tussen kind en beide ouders, tenzij er bewezen feiten zijn van kindermishandeling.

In de uitspraak zouden rechters moeten opnemen dat de contactregeling zo nodig met behulp van de ‘sterke arm’ in burgerkledij wordt uitgevoerd. Of dat bij weigering het gezag over de minderjarige zal worden ontnomen. Dit zal in de praktijk een preventieve werking hebben.

Slachtofferrol

Rechters zwichten vaak voor moeders die in de slachtofferrol kruipen, en die na scheiding, meestal uit rancune, geen contact tussen het kind en de vader willen. Die situatie druist in tegen internationale verdragen, tegen de Nederlandse wet én tegen het belang van het kind. Veel rechters ontzeggen onrechtmatig het contact tussen vader en kind met als argument dat er ‘rust’ moet komen. Maar er komt geen rust, wel volgen nieuwe procedures, verdere escalatie en polarisatie, omdat de wet niet wordt toegepast. En verbroken contact wordt maar zelden hersteld, van uitstel komt afstel.

Als de moeder niet de kinderen kan meenemen met uitsluiting van vader, zal zij minder lichtvaardig overgaan tot scheiding. Dat blijkt ook uit onderzoek in de VS. Volgens deskundigen is echtscheiding voor kinderen trauma nummer één. Overspel, geweld, alcohol- of drugsgebruik spelen een ondergeschikte rol in de redenen om te scheiden. Ruim driekwart van de mensen die scheiden, geven aan dat ze niet meer met elkaar kunnen communiceren. Maar minder dan eenderde van de gescheiden mensen zegt na scheiding gelukkiger te zijn geworden.

Van de kinderen die opgroeien in het traditioneel samengesteld gezin, beoordeelt bijna 80 procent de eigen gezinssituatie als goed. Waarom dan toch zoveel scheidingen? Ieder etmaal zijn er in Nederland circa 170 kinderen betrokken bij een scheiding. Kinderen van gescheiden ouders hebben een grotere kans op armoede, doen het slechter op school, hebben vaker psychische of psychiatrische klachten, lopen meer kans op gezondheidsproblemen, raken vaker aan de drank en drugs en belanden eerder in de criminaliteit.

Als rechters de wet hanteren, zal dat leiden tot minder lichtvaardige scheidingen, minder ellende voor kinderen, (groot)ouders en een enorme kostenbesparing voor de maatschappij. Therapeuten zullen dan snel hun huidige visie: denk aan jezelf in plaats van het kind en gezinsbelang voorop te stellen, wijzigen in hoe los ik het probleempje op dat de ouders niet meer met elkaar kunnen communiceren.

Aanbevolen columns:

  • Een nieuwe wet op het gelijkwaardig ouderschap trad op 1 maart 2009 in werking. Deze wet geeft vaders een betere kans om een rol in de opvoeding van zijn kinderen te blijven spelen: Wet Bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding.
  • Volgens de Europese rechten van de mens worden vaders erkend als volledig juridisch ouder tenzij ze uit de ouderlijke macht zijn ontzet. Echter, ongehuwde vaders worden thans veelal door justitie aan de laars gelapt. Lees hierover meer in: Ongehuwde vaders vergeten gezag

Wim Orbons is voormalig directeur en secretaris van diverse gezondheidszorgorganisaties.

Labels:

Open knowledge and freedom of communication
CSS validator test

StatCounter geeft relevante overzichten
Tidy test
Een ánder Europa is mogelijk