Vanwege breuk van een netwerk kabel buiten onze schuld was
maandag 25 augustus éen van onze servers niet te bereiken, inmiddels is dit verholpen.

©Conseo

Kind in de knel

  • Ondersteun de vader en de fantastische moeder die elk willen Có-ouderen, zelf samen kinderen opvoeden, al dan niet samen wónend. Verbeter taal, politiek en cultuur van het maatschappelijk middenveld, opdat váder ook in de traditionele gebieden wordt gerespecteerd. Wij moedigen aan vol te houden kinderen in voorspoed en geluk groot te brengen…

 
dinsdag 29 april 2008

Division of power between civil- and governmental judgement

The verdict of the dutch Central Counsel of Appeal on the division of power between civil- and governmental judgement also can be read at their site 'LJN BD1113'. Together with our european service institute we manage an online copy identical with the original one beneath.

The administrator,
handtekening


LJN: BD1113, Centrale Raad van Beroep , 07/5227 WJZ

Datum uitspraak:  29-04-2008
Datum publicatie: 07-05-2008
Rechtsgebied:     Sociale zekerheid
Soort procedure:  Hoger beroep
Inhoudsindicatie: Indicatiebesluiten Wet op de jeugdzorg. Rechtsmachtverdeling
tussen de kinderrechter als civiele rechter en de kinderrechter als bestuursrechter.
Hoger beroep tegen uitspraken van de kinderrechter als bestuursrechter moet worden
ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitspraak
07/5227 WJZ 

Centrale Raad van Beroep 

Meervoudige kamer 

U I T S P R A A K 

op het hoger beroep van: 

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante) 

tegen de uitspraak van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 juli
2007, 287483 / JE RK 07-1107 (hierna: aangevallen uitspraak) 

in het geding tussen: 

appellante 

en 

de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, gevestigd te ’s-Gravenhage (hierna: Bureau
Jeugdzorg Haaglanden) 


Datum uitspraak: 29 april 2008 


I. PROCESVERLOOP 

Namens appellante heeft drs. N.J.M. Mul, arts te Raalte, hoger beroep ingesteld. 

De secretaris van de Raad van State heeft, met toepassing van artikel 6:15, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), de zaak doorgezonden aan de
Centrale Raad van Beroep. 

Bureau Jeugdzorg Haaglanden heeft een verweerschrift ingediend. 

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2008. Appellante heeft
zich laten vertegenwoordigen door drs. Mul. Bureau Jeugdzorg Haaglanden heeft zich
niet laten vertegenwoordigen. 


II. OVERWEGINGEN 

1.1. De op 22 april 2004 geboren zoon van appellante (hierna: minderjarige) is vanaf
september 2004 door de kinderrechter met toepassing van artikel 1:254 van het
Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) onder toezicht gesteld. Tevens is door de
kinderrechter ten aanzien van de minderjarige met toepassing van artikel 1:261 van
het BW vanaf september 2004 - en met uitzondering van de periode van januari 2005 tot
en met maart 2005 - een machtiging tot uithuisplaatsing verleend, voor zover in dit
geding van belang laatstelijk tot en met 18 april 2007. 

1.2. In het kader van een mogelijke verlenging van de ondertoezichtstelling en de
uithuisplaatsing vanaf 19 april 2007 heeft Bureau Jeugdzorg Haaglanden bij
(indicatie)besluit van 23 februari 2007 bepaald dat de minderjarige op grond van de Wet
op de jeugdzorg (hierna: WJZ) is aangewezen op “jeugdhulp thuis individueel. Aantal
contacturen: 1” en op “verblijf pleegouder 24 uurs. Aantal dagen per week: 7. Aantal
uren per etmaal: 24”. Daarbij is onder andere vermeld: “Dit indicatiebesluit treedt pas
in werking als voor de uithuisplaatsing een machtiging van de kinderrechter is verkregen.
De kinderrechter bepaalt hoe lang de zorg nodig is. Indien de machtiging niet wordt 
verleend, vervalt dit besluit.”. 

1.3. Namens appellante is bezwaar gemaakt tegen het indicatiebesluit van 23 februari
2007. 

1.4. Bij - civielrechtelijke - beschikking van 17 april 2007 heeft de kinderrechter in
de rechtbank ’s-Gravenhage met toepassing van artikel 1:254 van het BW de
ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd voor de periode van 19 april 2007
tot en met 18 april 2008 en, ter effectuering van het indicatiebesluit van 23 februari
2007, met toepassing van artikel 1:261 van het BW de verleende machtiging tot
uithuisplaatsing van de minderjarige verlengd voor de periode van 19 april 2007 tot
en met 18 oktober 2007. 

1.5. Bij besluit van 25 april 2007 heeft Bureau Jeugdzorg Haaglanden het bezwaar tegen
het indicatiebesluit van 23 februari 2007 niet-ontvankelijk verklaard. 

1.6. In verband met het herstellen van een bevoegdheidsgebrek heeft Bureau Jeugdzorg
Haaglanden het besluit van 25 april 2007 ingetrokken en vervangen door een verbeterd
besluit met dezelfde strekking, gedateerd 29 juni 2007. 

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de kinderrechter het namens appellante tegen het
besluit van 25 april 2007 ingestelde beroep met toepassing van de artikelen 6:18 en 
6:19, eerste lid, van de Awb mede gericht geacht tegen het besluit van 29 juni 2007,
en het beroep ongegrond verklaard. 

3. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat de kinderrechter ter zitting
van 17 april 2007, die is voorafgegaan aan de beschikking van 17 april 2007 waarbij
de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn verlengd, niet
heeft willen ingaan op de door appellante naar voren gebrachte - inhoudelijke -
bezwaren tegen het indicatiebesluit van 23 februari 2007 omdat daarvoor andere
procedures aangewezen zouden zijn. Met verwijzing naar artikel 5, vijfde lid, van de
WJZ is appellante van mening dat de kinderrechter in de - civielrechtelijke -
beschikking van 17 april 2007 (ook) het indicatiebesluit van 23 februari 2007
inhoudelijk had moeten toetsen. Nu dit niet is gebeurd, dient volgens appellante een
afzonderlijke - bestuursrechtelijke - rechtsgang tegen het indicatiebesluit van 23
februari 2007 open te staan omdat anders sprake zou zijn van “rechtsweigering”.
Bureau Jeugdzorg Haaglanden heeft daarom het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk
verklaard en de kinderrechter heeft bij de aangevallen uitspraak deze beslissing ten
onrechte in stand gelaten. 

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 

4.1.1. Ingevolge artikel 3, derde lid, eerste volzin, van de WJZ heeft een cliënt
slechts aanspraak op jeugdzorg ingevolge de WJZ als de bevoegde stichting die een
bureau jeugdzorg instandhoudt, een besluit heeft genomen waaruit blijkt dat de cliënt
op die zorg is aangewezen.

4.1.2. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de WJZ heeft een stichting die een bureau
jeugdzorg instandhoudt, tot taak te bezien of een cliënt zorg nodig heeft in verband
met opgroei-, opvoedings- of psychiatrische problemen, dan wel in verband met
problemen van een cliënt, niet zijnde een jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van
een jeugdige belemmeren. 

4.1.3. In artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de WJZ is bepaald dat
tot de in artikel 5, eerste lid, van de WJZ bedoelde taak behoort het vaststellen of
een cliënt is aangewezen op jeugdzorg waarop ingevolge de WJZ aanspraak bestaat of
op zorg, bestaande uit bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vormen van
geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen waarop ingevolge de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) dan wel ingevolge een zorgverzekering als
bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet aanspraak bestaat. 

4.1.4. In artikel 6, eerste en tweede lid, van de WJZ zijn nadere bepalingen opgenomen
over de inhoud van een besluit als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de WJZ. 

4.1.5. Ingevolge artikel 6, vierde lid, van de WJZ vervalt de aanspraak op zorg, naast
de in artikel 6, derde lid, van de WJZ genoemde gevallen, voorts indien de bevoegde
stichting die een bureau jeugdzorg instandhoudt een besluit neemt waarbij wordt
vastgesteld dat een cliënt niet langer is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5,
tweede lid, van de WJZ. 

4.1.6. Ingevolge artikel 5, vijfde lid, van de WJZ is in afwijking van artikel 8:7
van de Awb voor beroepen tegen beschikkingen, gegeven op grond van de artikelen 5,
tweede lid, en 6, vierde lid, van de WJZ, bevoegd de kinderrechter binnen het
rechtsgebied waarvan de bevoegde stichting die een bureau jeugdzorg instandhoudt
haar zetel heeft. 

4.1.7. Artikel 1:261, eerste en tweede lid, van het BW - voor zover hier van belang
- luidt: 
“1. Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de
minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan
de kinderrechter de stichting [die een bureau jeugdzorg instandhoudt,] op haar verzoek
machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. (…) 
2. Indien de uithuisplaatsing betrekking heeft op zorg als bedoeld in artikel 5,
tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg, is het verzoek gericht op effectuering van
het besluit, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van die wet. Dit besluit wordt bij het
verzoek overgelegd. (…).”. 

4.1.8. Artikel 3, vierde lid, eerste en tweede volzin, van de WJZ luidt: 
“Indien het besluit van de stichting strekt tot uithuisplaatsing in het kader van een
ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk
Wetboek, treedt het niet in werking dan nadat de in dat artikel bedoelde machtiging
van de kinderrechter is verkregen. Indien de machtiging niet wordt verleend, vervalt
het besluit.”. 

4.1.9. Ingevolge artikel 8:5, eerste lid, en onderdeel H, onder 3, van de bijlage bij
de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 3,
vierde lid, van de WJZ en evenmin tegen een besluit als bedoeld in artikel 6, eerste
lid, van de WJZ voor zover dit besluit is genomen ter uitvoering van de taak, bedoeld
in artikel 10, eerste lid, onder b, van de WJZ of in artikel 10, eerste lid, onder c,
van de WJZ met uitzondering van de daarin bedoelde nazorg en de daarin genoemde
begeleiding, bedoeld in artikel 77h van het Wetboek van Strafrecht. 

4.2. De Raad ziet aanleiding zich allereerst in algemene zin uit te laten over het
stelsel van rechtsbescherming met betrekking tot geschillen over indicatiestelling
in het kader van de WJZ. 

4.2.1. Tegen een (indicatie)besluit als bedoeld in de artikelen 5, tweede lid, 6,
eerste en tweede lid, en 6, vierde lid, van de WJZ kan op grond van de artikelen 7:1
en 8:1 van de Awb bezwaar worden gemaakt en vervolgens beroep bij de rechtbank worden
ingesteld, tenzij het een besluit betreft als bedoeld in artikel 8:5, eerste lid, en
onderdeel H, onder 3, van de bijlage bij de Awb. Uit artikel 5, vijfde lid, van de
WJZ vloeit voort dat het beroep dient te worden behandeld door de kinderrechter in
de - relatief - bevoegde rechtbank. 

4.2.2. Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet kan
bij de Raad hoger beroep worden ingesteld tegen een uitspraak van (de
voorzieningenrechter van) de rechtbank inzake een besluit, genomen op grond van een
wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage bij de Beroepswet. 

4.2.3. Een door een stichting die een bureau jeugdzorg instandhoudt genomen
(indicatie)besluit vindt zijn grondslag in de WJZ. Deze wet is niet opgenomen in de
bijlage bij de Beroepswet. Dit betekent dat de Raad in beginsel niet bevoegd is van
het hoger beroep kennis te nemen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is dit echter
anders, indien sprake is van een kennelijk of onmiskenbaar onbedoeld hiaat in de
rechtsmachtbepaling en voorts de betrokken besluiten naar onderwerp, kader,
strekking of toepasselijk recht een zodanig sterke verwantschap tonen met de in de
bijlage bij de Beroepswet opgenomen dan wel anderszins aan de Raad toebedeelde
wetten en - andere - regelingen, dat aan de Raad desondanks de bevoegdheid dient
toe te komen in hoger beroep te oordelen over een uitspraak van (de
voorzieningenrechter van) de rechtbank terzake. 

4.2.4. Naar het oordeel van de Raad doet deze situatie zich hier voor. De
indicatiestelling in het kader van de WJZ toont sterke verwantschap met
indicatiestellingen voor jeugdzorg in het kader van de AWBZ (zo dient die zorg in
de in artikel 9b, vierde lid, van de AWBZ beschreven situaties door een stichting
die een bureau jeugdzorg instandhoudt te worden geïndiceerd) en met jeugdzorg die
wordt verleend in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: WMO),
welke wetten beide zijn opgenomen in de bijlage bij de Beroepswet. Het ligt dan
ook in de rede dat de door de wetgever voor de AWBZ en de WMO aangewezen
appelrechter ook kennis neemt van het hoger beroep tegen uitspraken inzake
(indicatie)besluiten die hun grondslag vinden in de WJZ. 

4.2.5. De Raad overweegt in dit verband voorts nog dat de in de nadere memorie
van antwoord aan de Eerste Kamer opgenomen zinsnede “dat hoger beroep dient te
worden ingesteld bij de Raad van State en niet bij het gerechtshof” (Eerste Kamer,
vergaderjaar 2003-2004, 28 168, D, p. 14) niet kan worden gezien als een
uitdrukkelijke andersluidende keuze van de wetgever, nu de passage waarin deze
zinsnede is opgenomen er slechts toe strekt om duidelijk te maken dat niet de
civielrechtelijke appelrechter (het gerechtshof) maar de bestuursrechtelijke
appelrechter terzake bevoegd is. 

4.2.6. Tegen een (indicatie)besluit als bedoeld in artikel 8:5, eerste lid, en
onderdeel H, onder 3, van de bijlage bij de Awb staat geen bestuursrechtelijke 
rechtsbescherming open. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 3, vierde
lid, van de WJZ is een indicatiebesluit inzake een onder toezicht gestelde cliënt,
inhoudende een uithuisplaatsing, van beroep uitgezonderd teneinde een dubbele
rechtsgang te voorkomen. Daarbij is onder meer het volgende aangegeven: “Zoals
eerder is opgemerkt staat tegen een indicatiebesluit beroep op grond van de Awb
open. Bij ondertoezichtstelling is voor de effectuering van een indicatie die strekt
tot uithuisplaatsing een machtiging van de kinderrechter nodig. Om dubbele
procedures te voorkomen bepaalt het voorgestelde vierde lid [van artikel 3 van de
WJZ], dat een indicatiebesluit van de stichting, dat strekt tot uithuisplaatsing
in het kader van de ondertoezichtstelling eerst in werking treedt nadat de
machtiging van de kinderrechter, bedoeld in artikel 1:261 van het BW, is verkregen.
De kinderrechter oordeelt in de gevallen dat cliënten zich niet met het
indicatiebesluit kunnen verenigen eveneens over bezwaren tegen het
indicatiebesluit.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 168, nr. 3, p. 52 en
85). Hieruit volgt dat de kinderrechter in het kader van deze - civielrechtelijke
- procedure tevens, als voorvraag, de rechtmatigheid van het indicatiebesluit
dient te toetsen. Een eventueel hoger beroep wordt beoordeeld door het - relatief
- bevoegde gerechtshof. 

4.2.7. In dit verband overweegt de Raad voorts nog dat uit het feit dat het
indicatiebesluit - geheel - vervalt indien de kinderrechter de machtiging tot
uithuisplaatsing niet verleent, volgt dat voor een aparte bestuursrechtelijke
beoordeling van dat besluit voor zover daarbij andere zorg dan uithuisplaatsing
is geïndiceerd, geen plaats is. Ook daarover wordt dus in de civielrechtelijke
procedure geoordeeld. Het voorgaande is in overeenstemming met de jurisprudentie
van de Raad dat een indicatiebesluit, gelet op de samenhang tussen de - mogelijk -
te indiceren zorgfuncties, één en ondeelbaar is (vgl. de uitspraak van de Raad
van 28 november 2007, LJN: BB9311). 

4.3. Toegespitst op het voorliggende geval leidt dit tot het volgende. 

4.3.1. Het indicatiebesluit van 23 februari 2007 is een besluit als bedoeld in
artikel 3, vierde lid, van de WJZ. Gelet op artikel 8:5, eerste lid, en onderdeel
H, onder 3, van de bijlage bij de Awb kon tegen dat besluit geen beroep worden
ingesteld en gelet op artikel 7:1 van de Awb kon daartegen ook geen bezwaar worden
gemaakt. De kinderrechter diende in de - civielrechtelijke - beschikking van 17
april 2007 tevens de rechtmatigheid van het indicatiebesluit te toetsen. Appellante
had haar standpunt dat de kinderrechter dit ten onrechte heeft nagelaten, kunnen
inbrengen in het kader van een - civielrechtelijk - hoger beroep bij het gerechtshof
te ’s-Gravenhage. 

4.3.2. Bureau Jeugdzorg Haaglanden heeft bij het besluit van 25 april 2007 het
bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 februari 2007 terecht
niet-ontvankelijk verklaard. De kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage heeft
zich, als meest gerede rechter gelet op het stelsel van rechtsbescherming in het
kader van de WJZ, terecht bevoegd geacht kennis te nemen van het beroep tegen het
besluit van 25 april 2007. De Raad is, als meest gerede rechter, bevoegd kennis
te nemen van het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 

4.3.3. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen. Voor een veroordeling in
de proceskosten bestaat geen grond. 

4.3.4. Ten overvloede merkt de Raad nog op het minder juist te achten dat de
kinderrechter de aangevallen uitspraak heeft aangeduid als “Beschikking” en niet
als “Uitspraak”. 

III. BESLISSING 

De Centrale Raad van Beroep; 

Recht doende: 

Bevestigt de aangevallen uitspraak. 

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en R.M. van Male en
J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als
griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 april 2008. 

(get.) T.G.M. Simons. 

(get.) S.R. Bagga. 

Labels: ,

Open knowledge and freedom of communication
CSS validator test

StatCounter geeft relevante overzichten
Tidy test
Een ánder Europa is mogelijk