Vanwege breuk van een netwerk kabel buiten onze schuld was onlangs
éen van onze server niet te bereiken, inmiddels is dit verholpen.

©Conseo

Kind in de knel

  • Ondersteun de vader en de fantastische moeder die elk willen Có-ouderen, zelf samen kinderen opvoeden, al dan niet samen wónend. Verbeter taal, politiek en cultuur van het maatschappelijk middenveld, opdat váder ook in de traditionele gebieden wordt gerespecteerd. Wij moedigen aan vol te houden kinderen in voorspoed en geluk groot te brengen…

 
dinsdag 15 februari 2005

Strafbare onttrekking aan de ouderlijke macht

Wetboek van strafrecht artikel 279 en Grondwet artikel 1


Als vader de ouderlijke verantwoordelijkheid heeft, is het strafbaar voor iedereen, wanneer het samenzijn tussen kind en vader wordt verhinderd. In zo'n geval mag je van justitie verwachten, dat ze de cimineel (of criminelen) straffen. Hierover bestaat voldoende jurisprudentie.

De hoge Raad heeft uitspraak gedaan: De onttrekking van kind of kinderen aan de ouderlijke macht is strafbaar, zelfs indien beide ouders het wettelijke gezag over de kinderen hebben. Weliswaar gaat de uitspraak om de onttrekking van een dochter aan het ouderlijk gezag van moeder. Maar volgens Grondwet artikel 1 (verbod op discriminatie) geldt het ook indien een zoon onttrokken wordt aan de ouderlijke verantwoordelijkheid van vader.

In haar arrest (uitspraak) van 15 februari 2005 heeft de hoge Raad aangegeven dat er ook sprake is van onttrekking aan het wettig gezag als beide ouders de ouderlijke verantwoordelijkheid delen en er sprake is van een al dan niet voorlopige regeling van omgang. Tot die tijd konden politie en justitie niet met zekerheid vaststellen of van strafbare onttrekking sprake is. Kennelijk ligt het eenvoudiger wanneer één ouder de ouderlijke verantwoordelijkheid heeft.

Dit arrest heeft verregaande consequenties voor de opsporing en vervolging van een ieder, die hun kind niet terug laten gaan naar de ouder die met de ouderlijke verantwoordelijkheid is belast.

Indien een kind niet wordt teruggebracht na een bezoek in het kader van de omgangsregeling, pleegt de moeder die het kind heeft ontvoerd of achtergehouden, een strafbaar feit. Dit is omschreven in Wetboek van strafrecht artikel 279. Afhankelijk van de leeftijd van het achtergehouden of ontvoerde kind staat daar een gevangenisstraf op van ten hoogste negen jaar.

Het gevolg hiervan is dat de vader bij het ontvoeren of niet terugbrengen van het kind (dus ook als het gezag gedeeld wordt) hiervan onmiddellijk aangifte kan doen bij de politie. Dit is van belang als de kans bestaat dat het kind zal worden meegenomen naar het buitenland. In overleg met een Officier van justitie kan de politie dan ook onmiddellijk overgaan tot het doen van een nationaal en internationaal verzoek om de opsporing en aanhouding van de moeder.

Wist u dat Kind in de knel van mening is:

  • Dat elke vrouw die een kind niet terugbrengt na een bezoek in het kader van een omgangsregeling, of het kind achterhoudt of ontvoert, een strafbaar feit pleegt?

Maar wist u ook dat:

  • De wetgever hierover duidelijker moet zijn in Wetboek van strafrecht artikel 279?

En wist u dat kind in de knel van mening is:

  • Dat het samenzijn tussen vader en kind kan worden afgedwongen indien een rechter het kind heeft geplaatst in een inrichting. Mits er geen zwaarwegend belang is vader omgang te weigeren?

Uitleg van Wetboek van strafrecht artikel 279:

  1. Zij die opzettelijk een minderjarige onttrekt aan de ouderlijke verantwoordelijkheid of aan degene die mede de vaderlijke verantwoordelijkheid draagt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of een geldboete van de vierde categorie.
  2. Gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt opgelegd indien:
    • zij of een derde list bezigde, óf
    • zij pleger of aanzetter is van geweld, óf
    • zij dreigt of betrekt dreigende derden, óf
    • de minderjarige is minder dan twaalf jaren oud.

U ziet dat het belang van vader speciaal voor jonge kinderen bij de strafmaat meeweegt, echter voor twaalf jaar en ouder is hij nog weer belangrijker. De leeftijd van het kind is makkelijk te bewijzen. De bepalingen van Wetboek van strafrecht 279 gelden te meer als de vrouw of een instelling het kind onttrekken aan vaders ouderlijke verantwoordelijkheid die met de ratificatie van het europees verdrag voor de rechten van de man (EVRM) ondubbelzinnig is vastgelegd. Dit vereenvoudigt de bewijslast.

Uitleg van Grondwet artikel 1

Allen die zich in nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens vader zijn, duurzame opvatting, ras, maatschappelijke positie, politieke of geestelijke overtuiging of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Hoge Raad ar8250

De uitspraak over straf voor onttrekking van kind of kinderen aan de ouderlijke macht is ook te vinden op www.rechtspraak.nl:

 
LJN: Hoge Raad, Ar8250, 01198/04  
Datum uitspraak: 15-02-2005
Datum publicatie: 15-02-2005
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Cassatie
Inhoudsindicatie:
Aan gezag en opzicht onttrekken ex art. 279 Sr. Degene die (mede)
het gezag over een minderjarig kind uitoefent kan dit kind
desondanks aan het gezag en/of het opzicht van een ander
onttrekken, bijvoorbeeld door zich niet te houden aan een bij
rechterlijke beslissing vastgestelde (voorlopige) omgangsregeling.
 
Uitspraak
15 februari 2005
Strafkamer
nr. 01198/04
AGJ/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te
Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 7 november 2003,
nummer 21/001763-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis
van de Politierechter in de Rechtbank te Utrecht van 25 november
2002 - de verdachte ter zake van "onttrekking van een
minderjarige aan het wettig gezag/bevoegd opzicht" veroordeeld
tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van
dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis, voorwaardelijk
met een proeftijd van twee jaren.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft
mr. T.C. ten Rouwelaar, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur
middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit
arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de
Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
Bij de Hoge Raad is binnengekomen een brief van de raadsman met
daaraan gehecht een brief van de verdachte.

3. Beoordeling van het eerste en het tweede middel

3.1. In de middelen wordt onder meer geklaagd dat het Hof ten
onrechte bewezen heeft verklaard dat de verdachte het kind aan
het ouderlijk gezag of aan het opzicht van de moeder heeft
onttrokken in de zin van art. 279 Sr.

3.2. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof
gehechte pleitnotities houden in dat namens de verdachte het
verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het
Openbaar Ministerie in de vervolging dan wel tot vrijspraak,
is gevoerd, waartoe is gesteld dat de verdachte zich niet
schuldig heeft gemaakt aan overtreding van art. 279 Strafrecht,
omdat de verdachte samen met de moeder het gezag over het
minderjarige kind uitoefende.

3.3. Het Hof heeft onder het kopje 'Verweer betreffende de
ontvankelijkheid van het openbaar ministerie' in de bestreden
uitspraak als volgt overwogen en beslist:
"Anders dan de raadsman stelt is het hof van oordeel dat een
ouder die formeel nog wel het gezag heeft over zijn minderjarig
kind dat kind aan het ouderlijke gezag/opzicht van de andere
ouder kan onttrekken. Verdachte heeft zijn dochter niet
teruggebracht naar haar moeder nadat de omgangsregeling ten
einde was gekomen. Het verweer wordt dan ook verworpen."

3.4. Voorzover in de middelen het standpunt wordt ingenomen dat
de verdachte het kind niet aan het gezag en het opzicht van de
moeder kan onttrekken in de zin van art. 279 Sr, omdat ook de
verdachte het gezag over het kind had, wordt miskend dat degene
die (mede) het gezag over een minderjarig kind uitoefent, dit
kind desondanks aan het gezag en/of het opzicht van een ander
kan onttrekken bijvoorbeeld door zich niet te houden aan een bij
rechterlijke beslissing vastgestelde (voorlopige)
omgangsregeling. 's Hofs onder 3.3 weergegeven oordeel getuigt
derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting.

3.5. De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit
behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de
klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het
belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het derde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien
art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot
beantwoording van rechtsvragen in het belang van de
rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de
Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden
uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het
beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt
als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en
A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend-griffier
J.D.M. Hart, en uitgesproken op 15 februari 2005.
 
Conclusie
Nr. 01198/04
Mr Machielse
Zitting 21 december 2004

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdend te Arnhem,
heeft de verdachte bij arrest van 7 november 2003 ter zake van
"onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag/bevoegd
opzicht" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een
werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen
hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

2. Namens verdachte heeft mr T.C. ten Rouwelaar, advocaat te
Amsterdam, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

3.1 Het eerste middel bestrijdt, blijkens de toelichting daarop,
het bewezenverklaarde opzet. Ten laste van verdachte is
bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 17 mei 2001 tot en met 8 juni 2001 te
Bilthoven en/of IJsselstein, in elk geval in Nederland,
opzettelijk een minderjarige, te weten [betrokkene 1] (geboren
op [geboortedatum] 1999) heeft onttrokken aan het wettig gezag
over hem/haar gesteld of aan het opzicht van degene die dit
desbevoegd over hem/haar uitoefent, terwijl die minderjarige ten
tijde van het plegen van dit feit beneden de twaalf jaar oud is,
immers heeft verdachte toen daar:
- zijn dochter [betrokkene 1] in het kader van een
omgangsregeling opgehaald bij de moeder en vervolgens die
[betrokkene 1] niet teruggebracht op de afgesproken tijd en die
[betrokkene 1] gebracht naar een voor de moeder onbekende plaats"

Het middel wijst op een vonnis in kort geding van de rechtbank
te Utrecht van 18 mei 2001, waarin is bepaald dat de dochter
haar hoofdverblijf heeft bij haar moeder. Aangevoerd wordt dat
verdachte op het moment dat hij zijn dochter meenam van de
inhoud van dit vonnis niet op de hoogte was. Pas na zijn
aanhouding is hij daarmee bekend geworden.

3.2 Uit de bewijsmiddelen blijkt dat tussen verdachte en de
moeder van [betrokkene 1] sinds 25 november 2000 een
omgangsregeling van kracht was. Deze hield in dat verdachte
eenmaal per veertien dagen van zaterdag 11.00 uur tot zondag
17.00 uur en op de daarop volgende donderdag van 12.00 uur tot
17.00 uur recht had op omgang met zijn dochter. Deze
omgangsregeling is neergelegd in een tot de stukken van het
geding behorende tussenbeschikking van de rechtbank te Utrecht
van 24 oktober 2000. Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat
de moeder van [betrokkene 1], [betrokkene 2], aangifte heeft
gedaan nadat verdachte [betrokkene 1] op donderdag 17 mei 2000
had opgehaald en hij haar op vrijdag 18 mei 2001 om 18.08 uur
nog niet had teruggebracht. Op dezelfde vrijdag heeft
[betrokkene 2] verdachte in kort geding gedagvaard. De
president van de rechtbank heeft in zijn beslissing van 18 mei
2001 op de vordering van [betrokkene 2] bepaald dat het
hoofdverblijf van [betrokkene 1] bij haar moeder zal zijn en
verdachte bevolen het kind binnen een uur na de betekening van
het vonnis aan de moeder af te geven. Deze en de overige
beslissingen van de president van de rechtbank heeft het hof
aan het bewijs laten bijdragen, evenals de mededeling dat het
vonnis op 18 mei 2001 om 18.35 uur aan verdachte is betekend
door dit achter te laten in zijn woning. Op 19 mei 2001 heeft
verdachte de politie gebeld. Hij is toen gewezen op de sinds
25 november 2000 van kracht zijnde omgangsregeling en op het
vonnis van 18 mei 2001, met name op het bevel om [betrokkene 1]
terstond terug te brengen naar haar moeder. Verdachte heeft
toen gezegd dat hij het kind bewust niet had teruggebracht en
dat hij niet zou voldoen aan het bevel (bewijsmiddel 1).
Bewijsmiddel 3 bevat de verklaring van verdachte dat hij zijn
dochtertje van 17 mei 2001 tot en met 8 juni 2001 bij zich had
en dat hij haar niet op tijd bij de moeder heeft teruggebracht.

3.3 Voor een goed begrip van de zaak schets ik enige
achtergrond. Verdachte en [betrokkene 2] waren niet getrouwd
toen hun dochter [betrokkene 1] op [geboortedatum] 1999 werd
geboren. Verdachte heeft het kind erkend. Hij en de moeder zijn
sinds de geboorte, dus ook ten tijde van het bewezenverklaarde,
gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. Niet lang na de
geboorte zijn verdachte en [betrokkene 2] uit elkaar gegaan.
Zij zijn eerst in onderling overleg en medio februari 2001 door
tussenkomst van hun advocaten een voorlopige bezoekregeling
voor hun kind overeengekomen. Deze hield in dat [betrokkene 1]
bij haar moeder zou verblijven en dat verdachte haar een dag
en een middag per week zou krijgen (bewijsmiddel 2). Op
29 maart 2000 heeft [betrokkene 2] bij de rechtbank een verzoek
ingediend dat strekte tot toewijzing van het ouderlijk gezag
aan haar en tot vaststelling van een omgangsregeling tussen de
vader en [betrokkene 1]. Verdachte heeft zich hiertegen
verweerd en op zijn beurt verzocht om toewijzing van het
ouderlijk gezag aan hem en om vaststelling van een
omgangsregeling tussen moeder en dochter. Bij tussenbeschikking
van 24 oktober 2000 heeft de rechtbank overwogen dat het een
omgangsregeling tussen vader en dochter in haar belang achtte
en beslist dat verdachte met ingang van 25 november 2000 op de
hier boven vermelde tijdstippen recht heeft op omgang met zijn
dochter. Bij beslissing van 24 juli 2002 zijn de verzoeken van
[betrokkene 2] en verdachte om exclusieve toewijzing van het
ouderlijk gezag afgewezen. Ten tijde van de bestreden uitspraak
was nog geen definitieve omgangsregeling tot stand gekomen.

3.4 De klacht dat verdachte niet opzettelijk heeft gehandeld
omdat hij onbekend was met het vonnis van 18 mei 2001 is,
bezien in het licht van de bewezenverklaring, irrelevant.
De tenlastelegging en bewezenverklaring houden immers in dat
verdachte zijn dochter in strijd met de omgangsregeling niet
heeft teruggebracht. Die omgangsregeling bestond al in 2000,
dus ruim voor het kort gedingvonnis van 18 mei 2001. Overigens
faalt de klacht ook, omdat deze een feitelijke vaststelling
van het hof bestrijdt. Het hof heeft immers vastgesteld dat,
na de rechtsgeldige betekening van het kort gedingvonnis aan
verdachte, de in dit vonnis neergelegde beslissingen op
19 mei 2001 telefonisch aan verdachte zijn meegedeeld en dat
hij zijn dochter toen niet heeft teruggebracht. Voor
bestrijding van die vaststelling op feitelijke gronden is in
cassatie geen ruimte. Voor zover het middel erover bedoelt te
klagen dat verdachte op 17 mei 2001 niet wist dat het
hoofdverblijf van zijn dochter bij haar moeder was faalt het
eveneens. Het hof heeft uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden
dat verdachte met de omgangsregeling van 24 oktober 2000 bekend
was. Voor de beantwoording van de vraag of de omgangsregeling
inderdaad inhield dat het hoofdverblijf van het kind bij de
moeder was, zie onder 4.3.

4.1 Het eerste en het tweede middel voeren verder beide aan dat
in de gegeven omstandigheden geen sprake is van onttrekking
aan het wettig gezag of aan het opzicht van de degene die dit
desbevoegd uitoefende. Dit verweer is ook voor het hof gevoerd
en strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar
ministerie dan wel tot vrijspraak. Het hof heeft in respons op
het niet-ontvankelijkheidsverweer overwogen:

"Anders dan de raadsman stelt is het hof van oordeel dat een
ouder die formeel nog wel het gezag heeft over zijn
minderjarige kind dat kind aan het ouderlijk gezag/opzicht van
de andere ouder kan onttrekken. Verdachte heeft zijn dochter
niet teruggebracht naar haar moeder nadat de omgangsregeling
ten einde was gekomen. Het verweer wordt dan ook verworpen."

De klacht dat het hof bij de vorming van dit oordeel ervan zou
zijn uitgegaan dat ten tijde van het bewezenverklaarde alleen
de moeder belast was met het ouderlijk gezag over
[betrokkene 1] faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.

4.2 In de rechtspraak zijn situaties als deze eerder aan de
orde geweest. In HR NJ 1970, 266 ging het om een echtpaar dat
in scheiding lag. Bij beschikking van de president van de
rechtbank was beslist dat hangende het echtscheidingsgeding
de kinderen bij de moeder zouden verblijven. De Hoge Raad
oordeelde dat, ook al leidt een dergelijke voorziening niet
tot opheffing van de ouderlijke macht, deze tot gevolg heeft
dat de kinderen in ieder geval worden gesteld onder het opzicht,
in de zin van art. 279 lid 1 Sr, van de ouder aan wie zij
voorlopig zijn toegewezen.(1) Iets vergelijkbaars speelde in de
arresten HR NJ 1991, 9 en HR NJ 1991, 824. In beide zaken
waren de onttrokken kinderen in afwachting van de uitkomst van
de echtscheidingsprocedure aan de moeder toevertrouwd. Het
zonder haar toestemming wegnemen van de kinderen leverde een
onttrekking aan het wettig gezag en het bevoegdelijk
uitgeoefende opzicht op. De in het middel bedoelde uitspraken
NJ 1950, 833 en 834 werpen geen ander licht op de zaak, alleen
al omdat deze uitspraken een niet goed vergelijkbaar
feitencomplex betroffen, de uitspraken van eerder datum zijn
en deze niet zijn gedaan door de Hoge Raad, zoals het middel
veronderstelt, maar door respectievelijk de Krijgsraad voor de
zeemacht en het Hoog Militair Gerechtshof.

4.3 In dit geval ligt het in zoverre anders dat hier niet
sprake is van een exclusieve toewijzing van het kind aan de
moeder. Bij haar tussenbeschikking van 24 oktober 2000 heeft
de rechtbank immers, in afwachting van een definitieve
beslissing, bepaald dat verdachte een beperkt omgangsrecht met
het kind heeft. Anders dan de klacht lijkt te veronderstellen
is in het vonnis van 18 mei 2001 in deze omgangsregeling geen
wijziging aangebracht doordat daarin is beslist dat
[betrokkene 1]'s hoofdverblijf bij haar moeder was. Zoals uit
de bewijsmiddelen blijkt was dit de feitelijke situatie sinds
verdachte en [betrokkene 2] uit elkaar waren. Dit lag ook al
in de omgangsregeling van 24 oktober 2000 besloten. Daarvan is
ook de president van de rechtbank uitgegaan blijkens
overweging 3.5 van zijn vonnis, dat voor zover van belang
luidt:

"Op grond van deze feiten en omstandigheden moet het, mede
gezien de leeftijd van [betrokkene 1], in haar belang worden
geacht dat zij haar hoofdverblijf bij de moeder heeft totdat
in de onder 3.3 bedoelde procedure over de gezagsvoorziening
zal zijn beslist. Bij dit oordeel is mede van belang dat de
rechtbank dat in die procedure klaarblijkelijk ook heeft
bedoeld, gezien de regeling die voor de omgang tussen de vader
en [betrokkene 1] is vastgesteld in de genoemde
tussenbeschikking van 24 oktober 2000 ()."

Het vonnis houdt wel een andere wijziging in ten opzichte van
de omgangsregeling van 24 oktober 2000. Namelijk dat het
verdachte verboden was het kind zonder schriftelijke
toestemming van de moeder mee te nemen. Ook deze beslissing
is op 19 mei 2001 telefonisch aan verdachte meegedeeld
(bewijsmiddel 1).

4.4 Of het kind nou wordt onttrokken terwijl het exclusief aan
een ouder is toevertrouwd of door zich niet te houden aan een
bij rechterlijke beslissing vastgestelde omgangsregeling
levert in mijn ogen geen relevant verschil op. Zowel het
wettig gezag als het opzicht berustten ten tijde van het
bewezenverklaarde bij de moeder krachtens de omgangsregeling
van 24 oktober 2000. Verdachte heeft het kind aan dat gezag
en opzicht onttrokken door haar op donderdag 17 mei 2001 niet
op het overeengekomen tijdstip terug te brengen. Hij heeft
die situatie tot 8 juni 2001 laten voortbestaan ook nadat
hem de inhoud van het vonnis van 18 mei 2001 was meegedeeld.
Het oordeel van het hof dat verdachte in de bewezenverklaarde
periode het kind aan het wettig gezag en het opzicht van
de moeder heeft onttrokken geeft naar mijn mening geen blijk
van een onjuiste rechtsopvatting. De klachten falen voor
zover deze uitgaan van een andere opvatting.

4.5 De klacht dat het hof heeft aangenomen dat was aangevoerd
dat dit verweer tot ontslag van rechtsvervolging zou moeten
leiden, berust op een onjuiste lezing van de bestreden
uitspraak. Ook deze klacht faalt dus.

4.6 Het tweede middel bestrijdt verder de verwerping door
het hof van een beroep op overmacht. Het hof heeft dit
verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De verdediging heeft aangevoerd dat er een noodsituatie was
ontstaan omdat verdachtes dochtertje door haar moeder, die
het wettig gezag over haar uitoefende, niet goed zou worden
verzorgd.

Het hof is van oordeel dat het gevoerde verweer dient te worden
verworpen. Het hof overweegt hierbij dat er geen omstandigheden
aannemelijk zijn geworden die het acuut handelen van verdachte
rechtvaardigden en dat voorts niet is gebleken dat - indien er
al sprake zou zijn geweest van een noodsituatie - er voor
verdachte geen andere mogelijkheid open stond, nu hij zich had
kunnen wenden tot een bevoegde instantie, zoals de Raad voor
Kinderbescherming, de politie of de officier van justitie, in
geval van een noodtoestand."

De klacht is dat het hof geen acht heeft geslagen op ter
ondersteuning van dit verweer overgelegde bewijsstukken. Deze
klacht faalt. Het hof heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is
geworden dat [betrokkene 1] slecht werd verzorgd door haar
moeder. Dat is een oordeel van feitelijke aard dat in cassatie
slechts beperkt kan worden getoetst. De waardering van het door
de verdediging overgelegde bewijsmateriaal is aan het hof
voorbehouden. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van
24 oktober 2003 blijkt verder dat het hof de korte inhoud van
de stukken van eerste aanleg en van de nadien aan het dossier
toegevoegde stukken heeft voorgehouden, waaronder de brieven
van verdachte van 22 september 2003 en 17 oktober 2003 met
bijlagen. Het moet er dus voor worden gehouden dat door het
hof ook op de door het middel bedoelde stukken acht is
geslagen. Dit geldt temeer nu het middel niet vermeldt welke
bewijsstukken het hof zou hebben gemist.
Ook de klacht dat het hof er geen rekening mee heeft gehouden
dat verdachte geen vertrouwen had in de Raad voor de
Kinderbescherming faalt, reeds omdat niet blijkt dat die
stelling voor het hof is ingenomen.

5.1 Het derde middel betreft de afwijzing door het hof van een
verzoek om getuigen te horen. In de bestreden uitspraak heeft
het hof overwogen dat de verdediging subsidiair heeft verzocht
het onderzoek aan te houden om enkele getuigen te horen. Het
hof heeft dit verzoek afgewezen omdat het zich voldoende
voorgelicht achtte, zodat van een noodzaak tot het horen van
die getuigen niet was gebleken.

5.2 Noch uit het proces-verbaal van de zitting van
24 oktober 2003, noch uit de daaraan gehechte pleitnota noch
uit enig ander stuk in het procesdossier blijkt dat door de
verdediging aan het hof is verzocht om getuigen te horen. Dat
betekent dat hetzij het hof door een vergissing de in het
middel aangevochten beslissing in zijn uitspraak heeft
opgenomen hetzij het verzoek wel is gedaan maar dit niet in
het proces-verbaal is opgenomen.

5.3 Ik meen dat dit in het midden kan blijven. Volgens het
middel betrof het ter zitting gedane verzoek getuigen van wie
eerder verklaringen aan het hof werden toegezonden. Ik neem
aan dat hiermee wordt gedoeld op de brief van 5 september 2003
van de raadsman van verdachte. Het middel voert als klacht aan
dat het hof het getuigenverhoor niet heeft toegestaan en dat
het derhalve van belang is dat de getuigen alsnog worden
gehoord. Die klacht kan, ook als ervan wordt uitgegaan dat
het verzoek wel is gedaan, in ieder geval niet slagen. Het valt
niet in te zien dat uit de afwijzing van het verzoek volgt dat
verdachte een belang had bij toewijzing van het verzoek. Laat
staan dat die opmerking iets afdoet aan de begrijpelijkheid
van 's hofs oordeel dat de noodzaak tot het horen van de
getuigen in zijn ogen niet bestond. Het middel geeft eigenlijk
alleen maar aan dat verdachte het niet eens is met de
beslissing van het hof, maar betwist niet dat het hof het
juiste criterium heeft gehanteerd en geeft evenmin aan waarom
de beslissing van het hof onbegrijpelijk zou zijn.

5.4 Tot slot bevat het middel de klacht dat het hof geen acht
heeft geslagen op een aantal door verdachte aan het hof ter
beschikking gestelde stukken. Ook deze klacht faalt, reeds
omdat het middel niet verduidelijkt op welke stukken het doelt.

6. De middelen zijn tevergeefs voorgesteld en kunnen, met
uitzondering van de in 4.1 tot en met 4.4 besproken klachten,
met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen.
Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn
bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen
heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Zie ook NLR, aant. 2 bij art. 279.

Labels: ,

Open knowledge and freedom of communication
CSS validator test

StatCounter geeft relevante overzichten
Tidy test
Een ánder Europa is mogelijk