Vanwege breuk van een netwerk kabel buiten onze schuld was onlangs
éen van onze server niet te bereiken, inmiddels is dit verholpen.

©Conseo

Kind in de knel

  • Ondersteun de vader en de fantastische moeder die elk willen Có-ouderen, zelf samen kinderen opvoeden, al dan niet samen wónend. Verbeter taal, politiek en cultuur van het maatschappelijk middenveld, opdat váder ook in de traditionele gebieden wordt gerespecteerd. Wij moedigen aan vol te houden kinderen in voorspoed en geluk groot te brengen…

 
vrijdag 16 februari 2001

Uitspraak vervangende toestemming erkenning

HOGE RAAD, 16 februari 2001, nr. R00/084HR 
Landelijk jurisprudentie nummer: AB0033 
(Mrs. P. Neleman, A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink; A-G Moltmaker) 

Essentie 
Erkenning door biologische vader; vervangende toestemming; "family life"; afweging 
belangen.

Samenvatting 
Zelfde beslissing als in zaak Rek.nr. 00/084.

Partijen 
[De moeder], wonende te [woonplaats], verzoekster tot cassatie, adv. mr. J.H.M. van 
Swaaij, 
tegen 
[De vader], wonende te [woonplaats], verweerder in cassatie, adv. mr. M.H. van der 
Woude. 

Tekst 
Hoge Raad: 

1. Het geding in feitelijke instanties 

Met een op 9 november 1998 ter griffie van de Rechtbank te Haarlem ingediend 
verzoekschrift heeft verweerder in cassatie -verder te noemen: de vader -zich gewend 
tot die Rechtbank en verzocht vervangende toestemming te verlenen om zijn 
minderjarige zoon [..] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], te erkennen. 
Verzoekster tot cassatie -verder te noemen: de moeder -heeft het verzoek bestreden. 
De Rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 23 februari 1999 mr. M.J.F.A. Mutsaers tot 
bijzondere curator benoemd voor [het] minderjarige [kind] en heeft bij eindbeschikking 
van 27 april 1999 de verzochte vervangende toestemming tot erkenning verleend. Tegen 
beide beschikkingen heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 
Amsterdam. De moeder heeft verzocht de beschikkingen waarvan beroep te vernietigen 
en alsnog het inleidend verzoek van de man af te wijzen. Subsidiair heeft zij verzocht te 
bepalen dat het informatierecht buiten toepassing moet blijven. De Advocaat-Generaal 
bij het Hof heeft tijdens de mondelinge behandeling van de zaak geconcludeerd de 
beschikkingen waarvan beroep te vernietigen en alsnog het inleidend verzoek tot 
verkrijging van vervangende toestemming af te wijzen. 
Bij beschikking van 20 april 2000 heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank 
bekrachtigd en de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot het buiten 
beschouwing laten van de vastgestelde informatieplicht. De beschikking van het Hof is 
aan deze beschikking gehecht. 

2. Het geding in cassatie 

Tegen de beschikking van het Hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het 
cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De vader 
heeft verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal J.K. 
Moltmaker strekt tot verwerping van het beroep. 

3. Beoordeling van de middelen 

3.1. Het gaat in deze zaak om het volgende. 
Partijen hebben vanaf oktober 1995 tot omstreeks eind 1997, begin 1998, een affectieve 
relatie gehad. De laatste anderhalf jaar hebben zij samengewoond. Uit deze relatie is op 
[geboortedatum] het kind [..] geboren. De moeder heeft de relatie van partijen 
verbroken negen dagen nadat zij ervan op de hoogte was dat zij in verwachting was. De 
moeder heeft van rechtswege het gezag over het kind. De vader wil het kind erkennen, 
doch de moeder heeft haar toestemming daarvoor niet willen verlenen. 

3.2. De vader heeft voor de Rechtbank op de voet van art. 1:204 lid 3 BW vervangende 
toestemming verzocht. Het verzoek is door de Rechtbank toegewezen. Het Hof heeft de 
desbetreffende beschikking bekrachtigd. 
3.3. Het Hof heeft bij de beoordeling van de vraag of vervangende toestemming moest 
worden verleend tot uitgangspunt genomen dat het belang van de verwekker bij 
vervangende toestemming dient te worden afgewogen tegen de vraag of erkenning door 
de verwekker van het kind de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding 
met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden (rov. 4.5). Vervolgens heeft 
het Hof enige bij de totstandkoming van art. 1:204 lid 3 BW genoemde situaties, die 
ertoe zouden kunnen leiden dat de gevraagde toestemming moet worden geweigerd, 
onderkend, en heeft het geoordeeld dat die situaties zich in het onderhavige geval niet 
voordeden en dat overigens uit de stukken en uit hetgeen ter zitting naar voren is 
gekomen niet is gebleken van een situatie waarin de belangen van de verwekker en het 
kind bij erkenning zouden moeten wijken voor de belangen van de moeder bij een 
ongestoorde verhouding met het kind (rov. 4.6). Het Hof heeft daarbij onder ogen gezien 
dat schade aan de belangen van het kind eveneens aan de verlening van vervangende 
toestemming in de weg zou kunnen staan, indien de moeder door de erkenning in een 
zodanige onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is het 
kind een stabiel opvoedingsklimaat te bieden (rov. 4.7), doch heeft kennelijk geoordeeld 
dat die situatie zich in het onderhavige geval niet voordeed. 
3.4. Middel I bestrijdt de hiervoor vermelde oordelen met het betoog dat bij de 
beoordeling van een verzoek tot vervangende toestemming het belang van de verwekker 
bij de erkenning slechts een rol kan spelen indien, en derhalve nadat, is vastgesteld dat 
de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind 
of de belangen van het kind niet zou schaden. 
Het middel faalt. Op grond van zijn, in de conclusie van de Advocaat-Generaal Moltmaker 
onder 2.1.2 weergegeven, ontstaansgeschiedenis moet art. 1:204 lid 3 BW aldus worden 
uitgelegd dat het in de procedure tot verkrijging van vervangende toestemming aankomt 
op een afweging van de belangen van de betrokkenen, waarbij tot uitgangspunt dient te 
worden genomen dat zowel het kind als de verwekker aanspraak erop heeft dat hun 
relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke rechtsbetrekking. Door de rechter 
zullen het belang en de aanspraak van de man op erkenning moeten worden afgewogen 
tegen de belangen van de moeder en het kind bij niet-erkenning. Het belang van de 
moeder is daarbij in art. 1:204 lid 3 nader omschreven als het belang bij een 
ongestoorde verhouding met het kind. Het Hof heeft bij de beoordeling van het verzoek 
van de vader deze belangenafweging terecht tot uitgangspunt genomen. De bestreden 
oordelen geven dan ook niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. 
3.5. Middel II betoogt dat het Hof essentiële stellingen, die, als zij zouden komen vast te 
staan, zouden moeten leiden tot de conclusie dat de belangen van de moeder bij een 
ongestoorde verhouding met haar kind worden geschaad, heeft gepasseerd, althans niet 
in zijn oordeel heeft betrokken. Het middel noemt de volgende stellingen: a). het kind 
was wat de man betreft niet gewenst; b). de depressieve klachten van de moeder 
verergeren door contacten met de vader en contacten tussen de vader en het kind; c). 
de moeder is bang dat de vader het kind mee zal nemen naar Peru. 
Voorzover het middel betoogt dat het Hof de stellingen niet heeft onderkend, mist het 
feitelijke grondslag, nu het Hof, zoals blijkt uit rov. 4.2, kennis heeft genomen van de 
stellingen van de moeder. Het Hof heeft deze stellingen kennelijk onvoldoende 
onderbouwd geoordeeld tegenover de betwisting van de man (stelling a en c, rov. 4.3 en 
4.6), als ook van onvoldoende gewicht (stelling b, rov. 4.7). Deze oordelen zijn niet 
onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd. Het middel faalt derhalve ook voor het 
overige. 
3.6. In rov. 4.7 heeft het Hof schade aan de belangen van het kind nader omschreven als 
het aanwezig zijn van reële risico's dat het kind ten gevolge van de erkenning wordt 
belemmerd in een evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling. 

Middel III acht deze maatstaf te beperkt; het middel betoogt dat het Hof over het hoofd 
ziet dat het feit dat de erkenning een grote belasting voor de moeder is, eveneens een 
psychische belasting voor het kind kan vormen. Ook dit middel faalt. Het middel miskent 
dat het Hof in rov. 4.7 een oordeel geeft over wat het belang van het kind in het 
onderhavige geval inhoudt en hoe dat belang moet worden afgewogen. In deze 
rechtsoverweging ligt besloten dat het Hof van oordeel is dat de psychische belasting van 
de moeder niet zodanig is dat zij daardoor haar kind geen stabiel opvoedingsklimaat kan 
bieden. Dit oordeel is aan de rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden. Het is, 
mede in het licht van hetgeen hiervoor in 3.5 is overwogen, niet onbegrijpelijk. 

4. Beslissing 

De Hoge Raad verwerpt het beroep. 

Conclusie 

A-G mr. Moltmaker: 

1. Feiten en procesgang
 
1.1. Met betrekking tot de feiten heeft het hof bij de in cassatie bestreden beschikking 
onder meer het volgende overwogen: 
2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad in de periode van oktober 1995 tot 
omstreeks eind 1997, begin 1998. Gedurende de laatste anderhalf jaar hiervan hebben 
zij samengewoond. Na het verbreken van de relatie tussen partijen is [het kind] op 
[geboortedatum] geboren. De moeder is van rechtswege belast met het ouderlijk gezag 
over [het kind]. 
2.2. Bij beschikking van de rechtbank te Haarlem van 23 februari 1999 is mr. M.J.F.A. 
Mutsaers benoemt tot bijzonder curator over [het kind]. 
2.3. De moeder heeft geleden aan depressieve stoornis. Zij is enige tijd 
arbeidsongeschikt geweest. Sinds augustus 1999 is zij weer drie dagen in de week 
werkzaam als computerprogrammeur bij de [werkgever]. Ze staat nog onder 
behandeling van een psychiater. 
2.4. Sedert augustus 1998 heeft de vader de Nederlandse nationaliteit. Hij heeft afstand 
gedaan van de Peruaanse nationaliteit. Hij is werkzaam in de off-shore industrie. 
2.5. Moeder heeft de relatie van partijen verbroken negen dagen nadat zij ervan op de 
hoogte was dat zij in verwachting was. De vader is niet bij de bevalling aanwezig 
geweest. Hij is achteraf door de huisarts van partijen van de geboorte van [het kind] op 
de hoogte gesteld. 
1.2. Verweerder in cassatie (de vader) wil [het kind] erkennen. Omdat verzoekster tot 
cassatie (de moeder) haar toestemming daarvoor niet wil verlenen, heeft de vader zich 
bij verzoekschrift van 6 november 1998 gewend tot de rechtbank te Haarlem. Hij heeft 
op de voet van art. 1:204, lid 3 BW vervangende toestemming verzocht. 
1.3. De Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Haarlem, heeft in het kader van de 
procedure betreffende een eventuele omgangsregeling tussen de vader en [het kind] op 
9 en 22 maart 1999 negatief geadviseerd. 
1.4. De rechtbank heeft het verzoek van de vader bij beschikking van 27 april 1999 
toegewezen en haar beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Na de uitspraak van 
de rechtbank is [het kind] erkend. 
1.5. De moeder heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof 
te Amsterdam. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd bij 
beschikking van 20 april 2000. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen: 
4.4. Een kind, dat buiten het huwelijk uit de moeder wordt geboren heeft tot vader de 
man, die het kind erkent. Voor de erkenning van het kind behoeft de man de 
toestemming van de moeder. Artikel 1:204, lid 3, BW geeft een voorziening aan de man, 
die de verwekker is van het kind en aan wie de moeder geen toestemming tot erkenning 
geeft. De verwekker kan, wanneer aan de voorwaarden van artikel 1:204, lid 3, BW is 

voldaan, de rechtbank verzoeken hem vervangende toestemming tot erkenning te 
verlenen. Uitgangspunt in deze procedure is dat, zowel het kind als de verwekker 
aanspraak hebben dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke 
rechtsbetrekking. Het is in dit licht niet reëel van de moeder te menen, dat de man uit 
het leven van het kind kan worden gebannen. 

4.5. De rechter dient voor de vraag of het verzoek van de verwekker al dan niet moet 
worden toegewezen diens belang bij vervangende toestemming af te wegen tegen de 
vraag of erkenning door de verwekker van het kind de belangen van de moeder bij een 
ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden. (…) 
4.6. Bij het belang van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind, welk 
belang onder omstandigheden de wederzijdse aanspraken van het kind en zijn verwekker 
op erkenning van hun relatie als familierechtelijke betrekking kan doorbreken, moet naar 
het oordeel van het hof onder andere gedacht worden aan situaties waarin de moeder 
reeds geruime tijd het kind alleen of met een nieuwe partner heeft verzorgd en opgevoed 
en waarin de verwekker er blijk van heeft gegeven zich niets van het kind aan te 
trekken, maar waarin laatstgenoemde nadien van mening is veranderd. Voorts wordt 
blijkens de wetsgeschiedenis gedacht aan situaties waarin de moeder is verkracht. In 
dergelijke gevallen zal het belang van de moeder bij niet erkenning (kunnen) prevaleren 
boven dat van het kind en de verwekker bij wel erkenning. Dergelijke situaties doen zich 
in het onderhavige geval niet voor. Ook overigens is uit de stukken en hetgeen ter zitting 
naar voren is gekomen niet gebleken van een situatie waarin de belangen van de 
verwekker en het kind bij erkenning zouden moeten wijken voor de belangen van de 
moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind. 
4.7 Van schade aan de belangen van het kind kan worden gesproken als er tengevolge 
van de erkenning door de man voor het kind reële risico's zijn dat het wordt belemmerd 
in een evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling. Dit zou zich 
onder meer kunnen voordoen, wanneer de moeder tengevolge van de erkenning in een 
zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren, dat zij niet in staat is het 
kind het stabiele opvoedingsklimaat te bieden, dat het nodig heeft. In dat geval zou de 
vervangende toestemming tot erkenning niet opwegen tegen het belang van het kind de 
verwekker als juridische vader te hebben en het belang van de verwekker zijn kind te 
erkennen. 
1.6. Tegen deze beschikking heeft de moeder tijdig beroep in cassatie ingesteld. Zij heeft 
drie cassatiemiddelen aangevoerd. De vader heeft een verweerschrift ingediend. 

2. Beoordeling van de cassatiemiddelen 

2.1. Middel I 
2.1.1. Middel I klaagt dat het hof heeft miskend dat de toestemming van de moeder 
slechts door de toestemming van de rechtbank kan worden vervangen indien de 
erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of 
de belangen van het kind niet zou schaden, zodat bij de beantwoording van de vraag of 
de vervangende toestemming kan worden verleend, het belang van de verwekker pas 
een rol kan spelen nadat is vastgesteld dat de eerdergenoemde belangen van moeder en 
kind door de erkenning niet worden geschaad. 
2.1.2. Het betoog in middel I komt erop neer dat er een hiërarchie bestaat tussen de 
verschillende af te wegen belangen. Dit betoog vindt echter geen grond in de 
wetsgeschiedenis. Daaruit blijkt juist het tegendeel (MvT Tweede Kamer, vergaderjaar 
1995-1996, 24 649 nr. 3, p. 10-11): 
Een weigering toestemming te geven behoeft niet te worden gemotiveerd, maar is wel 
aan rechterlijke toetsing onderworpen in die gevallen dat de man die zou willen erkennen 
de verwekker is van het kind. Zowel het kind als de verwekker hebben aanspraak dat 
hun relatie rechtens wordt erkend als familierechtelijke rechtsbetrekking (HR 8 april 
1988, NJ 1989, 170). In de procedure tot verkrijging van vervangende toestemming 
komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Primair staat het 
belang van de verzoeker bij het tot stand komen van de familierechtelijke 
rechtsbetrekking. Zijn belang kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van het 

kind of die van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind geschaad zouden 
worden als de toestemming zou worden vervangen. Vaak zullen de belangen van kind en 
moeder parallel lopen. 
Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de schade die de verhouding van moeder en kind 
kan oplopen, indien de verkrachter zijn kind zou willen erkennen. Zijn de verhoudingen 
tussen de verwekker die wil erkennen en de moeder slecht en wordt de erkenning 
gebruikt om een doorbraak in de verhouding te forceren, dan kunnen de belangen van 
het kind of die van de moeder bij een ongestoorde verhouding met haar kind zwaarder 
wegen dan die van de aspirant-erkenner. Dat hoeft niet steeds het geval te zijn. De man 
kan geruime tijd meer dan de moeder de zorg voor het kind hebben gehad, maar op enig 
moment door de moeder ten onrechte buiten de deur zijn gezet. In een dergelijk geval 
kan het belang van het kind juist gediend zijn bij een erkenning. 
Voorts wijs ik op de volgende passage uit de Nota naar aanleiding van het verslag, 
Tweede Kamer, vergaderjaar 1996-1997, 24 649, nr. 6, p. 20-21: 
De man die de verwekker is van het kind en het kind wil erkennen, maar stuit op een 
weigering toestemming te geven tot de erkenning, heeft in zoverre een andere positie 
dan de moeder dat hij een verzoek tot de rechter dient te richten. De moeder en/of het 
kind kunnen in dit stadium een afwachtende houding aannemen. Start de verwekker de 
procedure bij de rechter dan is vanaf dat moment zijn positie niet anders dan die van de 
moeder en/of het kind. Door de rechter zal het belang en de aanspraak van de man op 
erkenning moeten worden afgewogen tegen de belangen van de moeder en het kind bij 
niet-erkenning. De leidraad voor die afweging wordt gegeven in artikel 204, derde lid. Als 
er geen regelmatige relatie bestaat of bestond tussen de verwekker, de moeder en het 
kind, dan zal het belang van de verwekker om zijn biologisch vaderschap juridisch erkend 
te zien en zijn belang om in juridische zin vader te zijn van het kind met de daarbij 
behorende rechten en plichten moeten worden afgewogen tegen de belangen van de 
moeder en het kind, zoals genoemd in artikel 204, derde lid. De duur van de zorg voor 
het kind is daarbij voor de positie van de verwekker niet doorslaggevend. Die zorg kan 
bij voorbeeld nog maar kort zijn, omdat het kind pas geboren is. Zou de duur van de 
zorg in een dergelijk geval wel doorslaggevend zijn, dan zou de weigering toe te 
stemmen tot de erkenning kort na de geboorte van het kind, de verwekker inderdaad in 
een achterstandspositie plaatsen. In een dergelijk geval moeten andere argumenten naar 
voren komen die een weigering van de toestemming werkelijk kunnen dragen. Een 
slechte relatie tussen de verwekker en de moeder die effect heeft op het kind kan daarbij 
bij voorbeeld een rol spelen. Zie verder S. F. M. Wortmann, Het derde wetsvoorstel 
herziening van het afstammings-en adoptierecht, FJR 1996, p. 128. 

2.1.3. Het hof heeft in rov. 4. 5 vooropgesteld dat de rechter voor de vraag of het 
verzoek van de verwekker al dan niet moet worden toegewezen diens belang bij 
vervangende toestemming dient af te wegen tegen de vraag of erkenning door de 
verwekker van het kind de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met 
het kind of de belangen van het kind niet zou schaden. In rov. 4.6 heeft het hof enkele 
voorbeelden uit de parlementaire geschiedenis genoemd van situaties waarin het belang 
van de moeder bij het weigeren van toestemming zal kunnen prevaleren boven het 
belang van de verwekker bij erkenning. Het hof heeft geconcludeerd dat van dergelijke 
situaties in het onderhavige geval geen sprake is en dat ook overigens uit de stukken en 
hetgeen ter zitting naar voren is gekomen niet is gebleken van een situatie waarin de 
belangen van de verwekker en het kind bij erkenning zouden moeten wijken voor de 
belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind. Aldus oordelend 
heeft het hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. 
2.1.4. Onderdeel (c) bevat de klacht dat het hof wat de belangen van het kind betreft in 
rov. 4.7 slechts in abstracto heeft aangegeven wanneer de belangen van het kind door 
erkenning geschaad zouden kunnen worden, doch heeft verzuimd in concreto te toetsen 
of de belangen van [het kind] door de erkenning worden geschaad. 
2.1.5. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft rov. 4.7 kennelijk niet 
(uitsluitend) bedoeld als een beschouwing in abstracto over de omstandigheden 
waaronder sprake zou kunnen zijn van schade aan de belangen van het kind, maar wel 
degelijk (ook) als een oordeel, dat van zodanige schade in het onderhavige geval geen 
sprake is. Naar het mij voorkomt blijkt dit duidelijk uit de laatste volzin van rov. 4.7. 

2.2. Middel II 
2.2.1. Middel II klaagt dat het hof een aantal essentiële stellingen heeft gepasseerd, die 
indien zij zouden komen vast te staan, zouden moeten leiden tot de conclusie dat de 
belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met haar kind worden 
geschaad. Het betreft de volgende stellingen: 
a. het kind was wat de man betreft niet gewenst (verweerschrift eerste aanleg, nr. 2-4, 
appèlschrift nr. 2); 
b. de moeder heeft depressieve klachten die worden verergerd door contacten met de 
vader en door contacten tussen het kind en de vader (appèlschrift nr. 3); 
c. de moeder vreest dat de vader het kind van haar zal willen afnemen ofwel door gezag 
over het kind te verzoeken of door het kind mee te nemen naar Peru (appèlschrift nrs. 2 
en 3); 
2.2.2. De klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft deze stellingen blijkens zijn rov. 
4.2 niet over het hoofd gezien, maar heeft (kennelijk) geoordeeld dat ze onvoldoende 
onderbouwd tegenover de betwisting van de man (stelling a, rov. 4.3), respectievelijk 
niet van voldoende gewicht (stelling b, rov. 4.6), respectievelijk onvoldoende 
aannemelijk (stelling c, rov. 2.4 en 4.6) zijn. 
2.2.3. De afweging die het hof in het onderhavige geval heeft gemaakt, acht ik in het 
licht van de parlementaire geschiedenis overigens niet onbegrijpelijk. Alleen in zeer 
duidelijke gevallen zou de vervangende toestemming geweigerd moeten worden. Ik wijs 
op de MvT p. 11 (zie nr. 2.1.2), waarin de verkrachter wordt genoemd, en de navolgende 
passage waarin het geval wordt genoemd waarin de aspirant-erkenner het kind lange tijd 
links heeft laten liggen (Tweede Kamer, vergaderjaar 1996-1997, nr. 28, p. 8): Op 
zichzelf zal een zekere emotionele weerstand tegen de erkenning onvoldoende zijn om de 
erkenning niet door te laten gaan. De moeder heeft de toestemming tot erkenning al 
geweigerd en had dus al (emotionele) weerstand tegen de erkenning. De vervangende 
toestemming tot erkenning zou, uitgaande van een dergelijke maatstaf, een wassen neus 
zijn. 
Zou echter duidelijk worden dat de weerstand van de moeder belangrijke negatieve 
gevolgen heeft voor de positie van het kind, dan kan een en ander anders komen te 
liggen. Het belang van het kind zou dan wel eens niet gediend kunnen zijn met de 
erkenning. 
De emotionele weerstand van de moeder kan ook voortvloeien uit het feit dat de 
verwekker iemand is die zich nimmer iets van het kind heeft aangetrokken en met de 
erkenning in feite geen goede bedoelingen heeft. De verhouding tussen moeder en kind 
kan dan zo verstoord raken dat er reden kan zijn geen vervangende toestemming te 
verlenen. 
Uit het voorgaande vloeit voort dat de moeder meer naar voren zal moeten brengen dan 
enkel emotionele weerstand. 
2.3. Middel III 
2.3.1. Middel III ten slotte klaagt dat het hof heeft miskend dat het belang van het kind 
meer is dan de in rov. 4.7 genoemde evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele 
ontwikkeling. De steller van het middel noemt in dit verband de psychische belasting die 
de moeder door de erkenning ervaart en de weerslag die dat heeft op het kind. 
2.3.2. Ik stel voorop dat de afweging van wat in een concreet geval het belang van het 
kind is, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. 
Wat betreft de psychische belasting die de moeder ervaart, heb ik in nr. 2.2.2 opgemerkt 
dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat die omstandigheid van onvoldoende gewicht 
is. 
In nr. 2.2.3 voegde ik daaraan toe dat ik die afweging in het licht van de parlementaire 
geschiedenis niet onbegrijpelijk acht. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat hetzelfde 
opgaat voor de weerslag die daarvan voor het kind is te verwachten (zie nr. 2.1.5). De 
klacht faalt derhalve op dezelfde gronden als uiteengezet in nr. 2.2.2 en 2.2.3. 

3. Conclusie 

De cassatiemiddelen alle ongegrond bevindend, concludeer ik tot verwerping van het 
beroep.
--

Labels:

Open knowledge and freedom of communication
CSS validator test

StatCounter geeft relevante overzichten
Tidy test
Een ánder Europa is mogelijk